Posts tonen met het label column. Alle posts tonen
Posts tonen met het label column. Alle posts tonen

maandag 5 september 2016

De Waerelt volgens Bölles Bunter XLIV


Overpeinzingen  in de vette leem
Het wortelpruikje van Ranunculus repens. Foto BUNTER

Hoezo onsterfelijk?

Vaak heb ik vanaf de herfst  van 2015 in mijn tuin gestaan met mijn bats in de hand en in de grond. Telkens het scherp in de Limburgse leem stampend met mijn sterke linkervoet. Dan ongeveer een flinke stoeptegel aardkorst  omhoog krikkend en in vier kluiten klievend. Dit alles liefst bij regenweer, omdat de löss dan niet keihard is, maar zacht als goede boter buiten de koelkast. Elk van de vier kluiten pak ik in de handen, beschermd door de verfhandschoenen van de Action.


Zo overleeft de Kruipende Boterbloem, uitloper na uitloper. Foto BUNTER

Het toeval bracht deze frontlinie met een ruk uit de grond. Boterbloem werd gestuit door een betonrandje. Foto BUNTER
 Zo trek ik de Limburgse leem uiteen en verwijder alle tekenen van plantaardig leven. De wortelpruikjes van Kruipende Boterbloem  (Ranunculus repens, alias Goudknoopje, Hanevoet, Kraaiepoot en zelfs Duivelsbeet (B)).  Eenzelfde soort pruikjes met veel dunnere draden van Gele Dovenetel  (Lamium galeobdolon, alias  Goudnetel, Hondsnetel. En tenslotte het onoverwinnelijke  Zevenblad (Aegopodium podagraria, ook wel Tuinmansverdriet genoemd)  en het stiekeme Heermoes,  ook  berucht als Equisetum arvense en Akkerpest. Zaailingen van planten die ik herken en mooi vind, zoals Blauw Guichelheil (Anagallis arvensis subsp. foemina of  coerulea) of Verbascum alias Toorts. Leg ik voorzichtig  ter zijde om ze later in schoongemaakte grond terug te bergen om ze verder te laten groeien en bloeien.

Zakken vol ongewenst gewoeker. Foto BUNTER









 Spitten in vochtige leem ruikt absoluut heel sterk naar het delven van een graf.  Leunend op de steel van mijn platte bats, dacht ik vaker aan de eerste scène van de vijfde acte van Shakespeares Hamlet, waarin twee grafdelvers opkomen die beginnen aan een graf voor Ophelia, de ongelukkige en wanhopige geliefde van de Deense prins. Een van de delvers zingt een geil levenslied en gaat verder met smartlappen te kwelen. Prins Hamlet is aan de wandel met zijn vriend Horatio en hoort de delver zingen. Hij ergert zich eraan en wordt boos als het doodgravend tweetal zelfs twee schedels uit het graf omhoogsmijt.

 Het brengt de bozige Hamlet tot overpeinzingen over de vergankelijkheid en de bederfelijkheid van de mens. Stel dat deze schedel de hersens bevatte van een beroemd rechtsgeleerde, waar zijn dan zijn prachtige argumenten, redeneringen zegswijzen en spitsvondigheden gebleven? Hoe kunnen deze mannen die domme liedjes zingen bij het graven van een graf en elkaar moppen vertellen? Horatio is Hamlets studievriend aan de universiteit van het Noord-Duitse Wittenberg  en zal de enige overlevende van Shakespeares bloedigste drama rond de opvolging in en het ineenstorten van het Deense koningshuis worden. Hij probeert de prins te kalmeren,  als vervolgens het dode lichaam  van Ophelia in een rouwstoet naar het verse graf wordt gedragen.
Natuurlijk groef ik geen graf in de juniregen. Ik had dan ook geen zwaarmoedige gedachten over sterfelijkheid als Prins Hamlet. Ik verbaasde mij er juist ongelooflijk over hoe sterk en ‘slim’ de woekerplanten zijn die ik uit mijn tuin probeerde te verwijderen. Ze lijken wel onsterfelijk, eigenlijk. Dat weghalen van de woekeraars moet echt een voor een, tenminste als je niet met de Glyfosaatspuit wilt rondgaan, zoals ik. Neem nou de Boterbloem, de kruipende. Deze lössliefhebber bij uitstek voelt zich zo thuis op onze leem, dat hij of zij in een seizoen vele vierkante meters bodem kan claimen als de oprukkende Hunnen van Atilla mijlen vanuit het oosten. Boterbloem is eenhuizig, tweeslachtig en naaktzadig. Dat wil zeggen dat elke plant bloemen heeft op lange stengels met zowel meeldraden (mannelijk) als stampers (vrouwelijk). Boterbloem produceert vanaf mei talloze zaadbolletjes, niet verpakt in een vrucht, maar midden in de verwelkende bloem. Als zo’n bolletje rijp wordt en verdroogt vallen tientallen zaadjes in de klei, klaar om direct te kiemen. Of ze  worden door windvlagen door de tuin geblazen. Bovendien maakt elke plant een forse wortelpruik van witte worteldraden, waarmee ze zich zeer vast in de klei verankert. Tenslotte is er nog de zogenaamde vegetatieve uitbreiding. Vanuit het hart van de plant groeien lange, gladde stengels zonder bladeren. De stengels vallen op de omringende bodem en produceren om de decimeter of zo nieuwe boterbloemrozetjes die als een satellietje vanuit de moederplant gevoed worden. Maar die satellietjes produceren ook zelf wortels, verankeren zichzelf, waarna ze als zelfstandige nakomeling verder gaan groeien en bloeien. Mijn kleine oorlog tegen deze gele horden begon daarom al heel vroeg in het voorjaar. Ik heb zo consequent mogelijk de bloemen van mijn Boterbloemen afgemaaid of verwijderd, voordat ze rijpe zaden gemaakt hadden. Dat levert naar mijn idee een sterke uitbreiding van de uitlopers op, want zo’n Boterbloem is ook niet gek, maar je moet toch ergens beginnen. Daarna ben ik met het uitgraven van de Boterbloemperken begonnen en het minutieus lostrekken van alle pruikjes uit de leemkluiten. Laat je ook maar een deel van een wortelpruikje zitten of valt het uit je handen in de modder, dan verschijnt er binnen een week een nieuw plantje. Een klein frisgroen bladhandje wordt uit de kale bodem opgestoken en in geen tijd vormt zich een nieuw rozetje. Bij dat eerste frisse blaadje is het zaak ter plaatse de grond met een goed harkje los te maken en te voelen, waar het stengeltje het wortelpruikje bereikt. Dat kan dan met een forse greep worden losgetrokken en verwijderd. Geen nood als er losse worteldraadjes achterblijven. Die kunnen niet meer uitlopen. Daarop heeft Boterbloem nog niets gevonden. Ha!
Zo wil ik niet dat mijn tuin uitziet: boterbloemblaadjes zover het oog reikt. Foto BUNTER

Het monsterverbond van Gele Dovenetel en Boterbloem: Aanvalluh!!  Foto BUNTER

De Gele Dovenetel, alias op zondag Lamium galeobdolon argentatum, wordt in menige folder van tuincentra en plantenkwekers en ook op het net, aangeprezen als een prima bodembedekker met mooie gele bloemen en een prachtig, veelkleurig sierblad. Begin er niet aan!! De bijen en hommels en zweefvliegen zijn weliswaar dol op de netelbloemen en doen in het voorjaar niets anders dan in de Lamium-microwouden rondzoemen en snoepen, dat het een lieve lust is.  Toegegeven, Gele Dovenetel is een schat van een drachtplant voor bijen en hommels en alles wat er verder dol is op stuifmeel en nectar. Maar Lamium is wel heel erg territoriaal en duldt weinig andere planten in haar buurt. Het gevolg is, dat er een oerwoud aan bonte en grijze en halfgroene bladeren door je tuin trekt, zodra de mooie, gele bloei achter de rug is. Laag-bij-de-grondse uitlopers met satellieten of hoog opschietende stengels, meters lang over concurrenten heen met een reeks van kleine plantjes met luchtworteltjes die zoeken naar een open plekje aan de andere kant van de hindernis. De vierkante stengels zijn redelijk stug en taai en groeien door alles heen. Ook onder deze plant moet de bats geschoven worden, want uittrekken met de hand helpt niet. Boterbloem en Dovenetel trekken in alle openheid hun plan om grond te veroveren.
   Zevenblad is veel stiekemer, net als Heermoes. Zevenblad lijkt veel op een zaailing van de Vlier met zijn gedeeld blad. Het lijkt een onschuldig stukje groen, maar het venijn zit ondergronds. De witte, vrij breekbare wortels van Zevenblad, houden zich tien tot twintig centimeter diep in de natte leem op en proberen in de kortste tijd een hele wirwar aan worteldraden aan te leggen, waaruit op elk punt weer draden naar boven worden geschoten om, zodra het daglicht bereikt is, nieuwe plantjes te maken. Bij het rooien van Zevenblad is het belangrijk dat elke millimeter worteldraad uit de grond verwijderd wordt, want elk stukje wortel kan weer uitgroeien tot een nieuw plantje, dat eenmaal voorzien van groene blaadjes weer een heel nieuw imperium van Zevenbladen kan optrekken. En ook deze plant kent behalve de vermeerdering uit wortel ook nog de zaadverspreiding vanuit bloemen in witte schermen en dat zijn er gelijk een heleboel. Het immens gewoeker van Zevenblad in verwaarloosde tuinen hebben we volgens de botanische mythologie te danken aan de monniken van een bedelorde, die  op missietocht naar het noorden deze plant uit zuidelijker streken meenam om ze aan te planten in de buurt van hun kloosters. De straatarme patere aten Zevenblad als spinazie, gepureerd na een paar minuten in kokend water. Met de wortels deden de kruingeschoren heren niets. Die lieten ze in de grond zitteen en zodoende.   Je kon en je kunt nog steeds Zevenblad-spinazie eten, maar ik weet niet of het lekker is.  
Tenslotte de Akkerpest, de Paardenstaart, het Heermoes zeg maar Equisetum arvense op zondag.  Deze plant met zijn ijle dennenboompjes in dichte wouden in je tuin is een regelrechte fossiel. Al 320 miljoen jaar oud, want ontstaan in de uitgestrekte Carboonmoerassen in Europa en elders. Bron ook van onze steenkool. De Paardenstaart uit het Carboon, die overigens  door paleontologen en archeobotanici Calamites wordt genoemd en niet Equisetum, werd wel twintig meter hoog en kende heel wat verschillende soorten. Echte bomen, heel wat anders dan die zielige dunne, groene sprieten van vandaag van hooguit een halve meter, maar schijn bedriegt. Beide planten lijken nog op elkaar, zijn meesters in de vermeerdering via wortelstokken, maar kennen ook dezelfde zwakheden. Het zijn sporenplanten, die dus geen boodschap hebben aan bestuivers en ook geen moeite hoeven te doen voor bloemen. Ze beginnen elk seizoen met het opsteken van spoordragende kale stengels, waardoor het vormen van zaden een extra tussenstap vergt. Primitief en ingewikkeld en het gaat vaak mis. Maar de noodvoorziening voor dit probleem is geniaal. Equisetum  groeit uit dunne zwarte wortelstokken, die wel tot tachtig centimeter diep in de klei kunnen kruipen en het altijd weer klaarspelen om nieuwe scheuten te maken, behalve als een plekje dichtbegroeid is met concurrenten . Daar heeft E. een kotshekel aan. Je krijgt dus nooit het hele netwerk uit de grond getrokken, behalve bij het uitgraven tot op een meter en opnieuw invullen met verse grond. Wie zich deze moeite en kosten niet wil getroosten, kan een guerrilla tegen E. beginnen. En dat was mijn keuze.
  Hoe taai is het leven eigenlijk? Zonder gifspuit krijg je Zevenblad en Kruipende Boterbloem echt niet zomaar je tuin uit, behalve, hoop ik op mijn zeer arbeidsintensieve manier. Afgelopen zomer hoorden we van een haai, die wel vierhonderd jaar oud was geworden en die die leeftijd bereikt had door diep in de zee bij lage temperaturen rond te zwerven, er een heel langzame stofwisseling op na te houden en verder niets. Heel saai voor een levend wezen. Deze Groenlandse haai eindigde als bijvangst in de netten van vissers en zal uiteindelijk in een museum te zien zijn in een nauwkeurig afgedichte glazen bak vol alcohol. Er gaan ook verhalen van oeroude koraalvelden in de wateren rond het tropische deel van Australië. De uitgebreidheid van koraal en de ouderdom is echter een collectieve prestatie van miljoenen heel klein koraaldiertjes.  Het zeegras langs de kusten van de Middellandse Zee, dat Posidonia oceanica genoemd wordt, kan honderdduizend jaar oud worden, maar wordt nu bedreigd door speedboten, de reusachtige ankers en schroeven van cruiseschepen en algemene vervuiling .

Hoe lang wil je leven en wat heb je daar voor over, dat is de vraag! Hamlet zei het al: to be or not to be! De gemiddelde leeftijd van mensen ligt dezer dagen rond de tachtig jaar en in die tijd kunnen we al onze zintuigen aanspreken en uitbuiten en een echt intensief bestaan opbouwen met ups en downs. Futurologen voorspellen dat mensen ver over de honderd jaar oud kunnen worden, maar veel verder komen we niet. Stel je nu eens voor dat we een afgeknipte wijsvingernagel in een kuiltje in de tuin gooien en nathouden en dat daar dan een soort plant uit oprijst met een fantastische zaaddoos of pompoen die je een paar maanden in de zon moet laten rijpen, waarna je er een schattig baby’tje uit kunt halen. Of je graaft een flinke kuil voor je blote voeten in de klei en gaat daar staan wortelen als een prachtige boom, die daar over tweehonderd jaar nog staat. Je armen worden takken en de haren van je huid veranderen in ritselende blaadjes. Maar heb je dan nog bewustzijn, kun je dan nog spreken of  zingen en vooral denken? En zo nee, is dan zo’n lang leven op deze planeet dan nog interessant, nog leuk om mee te maken elk uur van dag en nacht? Om er nog maar van te zwijgen dat er in de vorm van een soort worstjes uitlopers uit je oksels groeien die na een paar hele koude winters buiten bladgroene kinderen blijken te worden.
 Ik wil er ook niet aan denken dat we met zijn allen de diepzee opzoeken om daar kieuwen te krijgen en sloom rond te zwemmen. Er is kennelijk een balans tussen complexiteit, bewustzijnsniveau en duur van een levensvorm. Zo is het ook bijvoorbeeld met auto’s. De modernste auto’s van vandaag de dag zijn zo volgepropt met elektronica en computerchips, dat je maar een harde stinkscheet hoeft te laten achter je stuur tegen het kunstleer en allerlei schakelingen en verbindingen raken afschuwelijk gestoord.  Ik voor mij zou nog geen millimeter van mijn bewustzijn en gedachteleven willen opgeven om bijvoorbeeld tien jaar of voor mijn part honderd jaar ouder te kunnen worden. Ik hoef geen wortels en blaadjes, noch kieuwen of vinnen.  Ik wil geen seksleven met stuifmeel en plakkerige stampers en zoemende bijen en kriebelige hommels, zweefvliegen en honinglikkende vlinders. En stel je toch eens voor dat je ergens leuk staat te bloeien als bijvoorbeeld een Chinese hemelboom (Koelreuteria paniculata) en daar komt zo’n stoerig typje van de Limburgse Bomendienst of een kantonnier van de gemeente op je af met een ronkende kettingzaag en je kunt niet eens meer wegrennen. Laat mij maar boterbloemen uittrekken, Gele Dovenetel afsnijden,  Heermoes wegpesten of  Zevenblad uitgraven tot de laatste spierwitte worteldraad.
Wie echt iets langer wil leven dan de norm, moet ophouden met zitten, roken, drinken en te veel eten. Elke dag een rondje van een half uur tot een uur stevig doorlopen zonder te rennen en ervoor zorgen dat je al je organen blijft gebruiken. Wat je niet gebruikt, raak je kwijt, zeggen moderne psychologen. Use it or lose it, speciaal je harses.


 BUNTER

woensdag 6 januari 2016

De waerelt volgens Bunter XLIII


Helemaal kerstblauw dus



Een ode aan de eerste maandag. En:

Er is geen boom gekrepeerd

Deze week begon met het de eerste normale maandag van het jaar.  4 januari!  Het is geen lauwe en grijze Kerstmis meer, geen langzaam vallende Kerstavond, geen tweede Kerstdag vol met slaperige uitbuikers, geen  onverwacht hard knallend en fluitend Ouwejaar met na zes uur toenemende kruitdampen, waarvoor je je slaapkamerraam echt wel potdicht moet houden, wil je niet met je van de bubbels bleurende kop in je eigen nest vergast worden. Maandag, we hoeven niet meer weg voor recepties, barstend van de jaarlijkse platitudes of domme dialektversjes. En mensen die je angstig aankijken: gatie ‘pune’ en hoeveel ‘kier’en heeftie  zich wel ‘gesjore’ en ‘de moond vol tan wel gepòts’?  ‘Baoh, die liefloch, toch’. Zoennen oonnöt!
  
 Ja, volgens de aloude Rooms katholieke kalender is het vaandaog de octaafdag van de Heilige Onnozele Kinderen (Martelaren)  die in opdracht van  Koning Herodes aan het begin van onze jaartelling doormidden geslagen werden, omdat drie andere, wijze koningen uit het oosten er helemaal geen zin in hadden het Kerstkind te verraden.

  Waarom zijn al die kinderen uit Syrië, Irak, Yemen , Afghanistan, de hoorn van Afrika   dan niet allang onnozel en heilig, ook als ze niet dodelijk geraakt zijn door bommen,  maar wel op de bodem van de Middellandse Zee liggen? Subitos/tas Sanctos/tas!

Octaafdag wil zeggen: het is alweer een week geleden, maar ik ga niet vergeten.
Geen recepties, geen bellen wijn overdag, waardoor je loopt te tollen. Niemand meer die weten wil hoe het met je gaat. Altijd goe, vanzellef, toch! Stop maar! Het werd, Deo gratias,eindelijk weer een doodordinaire maandag. En de wenskaarten die na vandaag nog komen, hoef je niet meer te beantwoorden, want hoewel de eigenlijke feestdag van Driekoningen op zes januari valt, dat is deze week goonsdeg, de allerlaatste uitspatting rond de jaarwisseling met de koningskoek, de verstopte hazelnoot, de beroete wijnkurk, de oude gordijnen en kartonnen kronen en de ster aan een bezemsteel vastgemaakt om in de schemering op weg te gaan, zingentére:

Dreijkeuninge, Dreijkeuninge geef miech unnen nuijjen hoed
Mienen awwen is verslete,
Mien moojer die maag tat neet wete,
En miene vaajer die heet gei geld,
Dreij keuninge op ut veld.

Dat heb ik jaren gezongen in de meest noordelijke straten van het Wijckerveld.

Daar waar de huizen drie verdiepingen telden boven de grond. In een vierkantig buurtje met een open zijde waar het heel gezellig was vol kindergeluk. Alle bakstenen huizen zijn in oktober 2014 afgebroken vanwege de bouwvereniging en tot stenen kruimels vermaald.
Baksteenkorrels, een grote hoop. Dat is er over van onze huizen. Foto BUNTER 

 Het was, geloof ik, goedkoper ze te slopen en te vermalen dan een beetje netjes op te knappen voor door onbegrijpelijke oorlogen doodsbange kinderen uit Syrië en ga zo maar door. Er is nu een soort stadtuin, waarin  andere kinderen leren zaaien en poten en zullen ontdekken dat de graankorrel die in de aarde valt NIET sterft, maar ontkiemt. Ik heb daar vrede mee, ik bedoel met de tuin en met dat ontkiemen. Het zingen met ster en lampionnen bracht een beetje geld op, maar vooral veel fruit en snoep. Daanke, Daanke, allemaol. En sorry voor het vermalen van al die mooie herinneringen, maar dat hoef ik toch niet te schrijven. Dat moeten die stinkend rijke cententellers van die bouwvereniging doen. Van mij hadden die arme kinderen best in mijn heerlijke jeugdhuis mogen wonen. Ik had ze graag de weg gewezen. Mèh dat goof neet mieh! Kloetzek!   
Kijk, zo maak je korte metten met de heerlijke jeugd van tientallen kinderen. Alles weg! FOTO BUNTER



Precies hier stond mijn huis. Foto BUNTER
Dit koekblikje op wielen staat precies in ons straatje, waar het voortuintje was. Foto BUNTER

Driekoningen zingen in de buurt was zo leuk, maar het hoeft ook al niet meer. Veel kinderen denken dat ze niet kunnen zingen, durven het niet en weten het ook zeker. Dat ze niet kunnen zingen. Tis NEET woer, huur. Totste neet kins zinge. Doech dun mojl mer ope en dink aon u leuk leedsje!

Wat fijn, dat het daarom eindelijk weer een gewone maandag is geworden, deze week. Geen weemoedige herinneringen meer, maar om half acht eruit, kop onder de 'pomp', steenkoude, natte washand effe vasthouden op de pwatrien . Tanden poetsen en juh, de normale klussen doen, nog steeds zingentére, want dat gaat er niet uit. Ik heb altijd zeker geweten dat ik kon zingen, omdat niemand het aandurfde mij met mededeling van het tegendeel teleur te stellen. En niemand in Wijckerveld en op de Don Bosco-school, die ook alweer volledig is afgebroken en van de aardbodem gevaagd.

Het enige spoor van mijn lagere school uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. De achterpoort in een hoek van de speelplaats.  Foto BUNTER
Wat een heerlijke maandag: van elke minuut van deze dag wist ik wat zou komen: geen wenstelefoontjes vanuit het hele land en ook geen SMoeSjes en zo. Geen zon, buiten lekker donker en grijs, niks te zien en te voelen dan een kouwe wind. Er is geen weeralarm ‘nudig’ om mij binnen te houden.
Daarom hebben we samen, meteen door, op dinsdag, stokvissendinsdag, de kerstboom afgebroken, bal voor bal en takje voor takje. Slinger voor slinger en lampje voor lampje. Onze boom gaat in een grote doos en komt er over een jaar weer uit om geassembleerd en uitgevouwen te worden. Kerstmis is tenslotte niet het feest van de ruizelende, verdrogende en stervende jonge fijnspar. En zo’n boompje moet dan ook nog het symbool zijn van het nieuwe leven in de midwinter. BAH. Grotere kul bestaat niet!
BUNTER    
   
Het noodkerkje van 'Pestoer Sjef Nieste', dat staat nog fier. Ik deed hier 'mien kemunie'. De grote nieuwe kerk, die pastoor Sjef  bouwde is ook alweer afgebroken!  Foto BUNTER   
















      

woensdag 21 oktober 2015

De Waerelt volgens Bölles Bunter XLII

 Helemaal winterklaar

Stokroossnuitkevertjes, unverfrohren parende. Vrouwtje heeft de langste...snuit. Foto Internet
Langzaam koelen we af tot onder de 10 graden Celsius en worden we ook natter. De lage luchtdruk, tenminste zo werkt het bij mij, geeft meer energie, omdat het hart niet meer tegen de hoge druk hoeft op te pompen. Een vreemde onrust, bij edelherten en andere zoogdieren goed bekend als bronst, bevangt me, maar met de juiste psychische sublimatietechniek kan deze onrust worden gericht op tuinwerk en vele andere klusjes in en om het huis. Jawel, het zomerlanterfanten is voorbij. De overgang naar de winter is zeer geschikt voor klussen.
  En daarom vond ik me onlangs terug in mijn voortuin. Op het eerste gezicht een echte jungle, maar dat is alleen voor de ogen van onwetenden, niet-plantenkenners, wilde-flora-haters, ONKRUIDschreeuwers en andere ongroene gemeenteleden. Ik zaai en plant, laat alles dan zijn gang gaan en selecteer in het najaar. Wat wordt weggeschoffeld, omgespit, met wortel en tak verwijderd en wat mag blijven. Van de planten die me het meest aanstaan verzamel ik de zaden om ze elders weer uit te werpen. Zo blijft het altijd spannend in de tuin.
Groenton na groenton vul ik met afgeknipte toppen, al te weelderige zijtakken, uitgetrokken Meldes, Brandnetelzaailingen, voordat ze aan hun ondergrondse netwerken kunnen beginnen. Eerst heb ik zaden geoogst van de ongeveer zes meer dan twee meter hoge exemplaren van Zwarte Stokroos, Alcea rosea nigra, aangenaam, een levend wezen dat je in het Latijn en in de volkstaal nog zwart mag noemen, zonder gelijk voor slavendrijver te worden uitgemaakt door enkele genetisch verongelijkte Mokummers, randstadkankeraars en meelopers en -schreeuwers. Deze zaadoogst was een merkwaardige ervaring. Zoals bekend hoort de Stokroos thuis in de Kaasjeskruidfamilie (Malvacaea), net als de heilige Maya-boom, de kapokboom of Bombax ceiba, aangenaam), een echte woudreus met plankwortels en forse doorns op de stam. De stokrooszaden zitten als voorgesneden partjes van een Hollandse kaas, in een rondje in de verdroogde bloemknop, vandaar de naam. Ik heb tientallen bloemknoppen in mijn handen verpulverd en de zaden losgeknepen en in een witte plastic ijsdoos gedaan en na een tijdje kijk ik hoeveel zaad ik al heb en dan krijg ik het idee dat mijn zaadjes zonder te kiemen al levend zijn geworden en op zes piepkleine pootjes rondrennen door mijn doos. Ik sta tot mijn verbijstering oog in ook met een enorm leger van stokroossnuitkevertjes, mannetjes en vrouwtjes die door elkaar heen rennen en af en toe onder mijn ogen unverfrohren paren. De meisjes hebben veel langere boorsnuiten dan de jongens en de mannen omdat ze die ook als eiplaatsboor (ovipositor, aangenaam) gebruiken. Een complete horde van telkens 3 tot 4 millimeter lang leven rent in de doos rond en als ik met de zaden schudt, dan raken de diertjes in paniek en steken hun snuitjes zwaaiend omhoog, alsof ze willen zeggen: “Hallo zeg, wie is daar met die aardbeving bezig? Kan het ook wat minder?
Curculio nucum of Hazelnootboorder  Foto Internet

Dit kevertje boort in eikels: Curculio glandium Foto Internet.

Toen ik de keverhorde eenmaal op naam had gebracht: Rhopalapion longirostre, aangenaam, familie van de hazelnootboorder, Curculio nucum, aangenaam en de eikelboorder, Curculio glandium, aangenaam, en zo zijn er voor tal van botanische uitstulpsels boorders, kreeg ik met de massa mededogen en begonnen mijn ogen te branden, bij wijze van spreken. Winters? Wat moet er van hem worden, als we eindelijk weer eens een Elfstedentocht kunnen rijden? Met dit soort vragen in het achterhoofd lees ik gewoon door totdat ik zie, dat de strooisellaag rond de stam van stokrozen voor een paar maanden best een warm holletje kan oplevren voor verschillende ontwikkelingsstadia van het beestje. Ze zijn zelfs zo klein, dat ze in de platte stokrooszaadjes een zogenaamde poppenkamer kunnen boren om het kroost een plekje te geven te overwinteren als pop.
 Het hele leven om ons heen is de komende maanden op de vlucht voor de kou. Ganzen en kraanvogels vliegen in indrukwekkende formaties boven onze hoofden naar het zuiden al honkend en schreeuwend. Meesjes en andere kleine zangvogeltjes kruipen rillend bij elkaar in verlaten vogelhuisjes. Blaadjes van bomen wachten geduldig in knoppen aan takken tot de nieuwe sapstroom hen bereikt, eind maart misschien. Insekten verbergen zich in dode stengels van hoogopgaande bloemen en het afgevallen blad is eem paradijs voor alles wat kruipt en wanhopig graag nog een jaartje of zo mee wil. Het is daarom dat ik zo’n bloederige bloedhekel heb aan de bladblazers. Het is niet alleen die tyfusherrie, maar ook de afbraak van de winterwereld van zoveel levende wezens. Wantsen, kevers, vlinderpoppen en egeltjes en noem maar op van al wat leeft, gaan eraan omdat onze tuin zo nodig WINTERKLAAR moet zijn.
 Wij als Homo sapiens sapiens blijven gewoon binnen, trekken een trui aan of dragen een mooi tweed colbertje met een fijne das om de nek. Heb je al eens ooit een Lieveheersbeestje met een ijsmuts gezien? Neen?, maar wel blijven knippen, weggraaien en blazen maar. Dat kan echt ook in maart en april, mensen, als de hommelmoeders weer boven het Longkruid zweven en de grond afzoeken naar lege muizenholletjes. Doe het NU NIET! Laat liggen! Begin desnoods zelf aan een winterslaap!
  Ik leef met het vluchtende leven mee en probeer zoveel mogelijk diertjes van allerhande slag in mijn tuin te herbergen. Niet in tentjes, piepkleine containertjes, uitgewoonde stinkkantoortjes of oude schooltjes enz. Nee, gewoon in dode stengels, hopen afgemaaid gras en doodbladpyramides her en der. En als ik ’s avonds na mijn nachtrust-theetje over mijn voorverwarmd onderlaken naar beneden in mijn nest schuif, denk ik aan al die vliegers, kruipers en strompelaars op de vlucht voor de kou en de schimmelende nattigheid. En ik hoop vurig dat ze veilig, droog en warm zijn, waar dan ook. Daar bid ik dan even voor en dan voel ik me zo echt groen en zo helemaal winterklaar, dat ik meteen inslaap… zzzzz.                     

BUNTER 


 



vrijdag 27 maart 2015

De Waerelt volgens Bölles Bunter XLI



Woorden, Worte, Words


Waarom heet zoiets als een woord eigenlijk een woord? Het woord ‘woord’ is een woord dat een op een naar zichzelf verwijst. ‘Woord’ is dan ook een woord, eigenlijk de moeder van alle woorden, het begin van een taal. Hoever moet een mens al gekomen zijn, wanneer hij kan zeggen: “Ik spreek woorden”?
Ik denk dat er twee redenen zijn om aan het begin van onze taal in Noord-West-Europa een woord ‘woord’ te noemen of Wort of word, maakt niet uit, even afgezien van de telkens verkleurende klinker van het woord. Kennelijk is de klank niet belangrijk, kan en mag heel snel alle kant op variëren, als de harde vocale mal van het woord, wrd, wrd Wrt, maar zoveel mogelijk gelijk blijft.
Ik denk dat een van de eerste soort woorden die mensen tegen elkaar gesproken zullen hebben, vraagwoorden zijn geweest. Wa, in de zuid-oostelijke Limburgse dialecten in Vaals, Kerkrade, Gulpen en aanpalende spraakcentra nu als staart van een telkens en telkens om bevestiging vragende zin voorkomend zelfs bij een bevestiging in optima forma: “Jao, wa?”. Maar nagenoeg altijd vooraan een zin of uitroep: Wie, waar, wanneer, welk, waarom en natuurlijk WAT! Of  - in het Hoogduits: Was? Ik ken een kleuter in Duitsland, die bij zijn verkenning van de wereld om hem heen, heel parmantig kan vragen, terwijl hij met zijn vinger wijst: “Was ist das denn?” Een regelrecht oerzinnetje in welke taal dan ook. Ik zie hierbij kleine Crô Magnon-kleuters, heel vroeg wakker geworden op een mooie zonnige ochtend in april of mei, hun grot uitklimmen in wat nu Zuid-Frankrijk is na een beestige IJstijdwinter en de eerste bloeiende lentebloemen ontdekken of kleine lichtgroene blaadjes aan de bomen.
Bovendien is een woord eigenlijk niets meer dan een trillende windvlaagje, zo vluchtig, zo voorbijgaand, zo kortdurend. Een woord is gesproken zonder dat je er erg in hebt. Wind dus, en daar heb je de letter W van al die vraagwoorden weer! Concentreer je op de stand van je lippen en je mond bij het vormen van een W of van een W-woord. Juist, de lippen vormen een klein kusmondje om daarmee zacht lucht uit te blazen. Het is bijna dezelfde stand als bij de klinker ‘o’ die vraagt om een iets grotere ronde stand van lippen en mond. Zeg maar eens langzaam en heel bewust ‘wooo’ en voel je kusmondje bij het begin van de ‘o’ verder opengaan. De W-klank is dus een prachtige, zachte en subtiele begin-articulatie voor een ideaal woord, dat na een korte inademing op het punt staat uitgesproken te worden met een uitademing.
 Voor zover ik kan zien is de W als vraagletter heel opvallend aanwezig in de Duits-Engels-Nederlandse taalcluster/familie. Luister naar de Romaanse talen dan is de P erg populair om het woord woord mee uit te drukken: parola, parole, palabra, al komt het oude Latijn met ‘verbum’ voor woord, terwijl vraagwoorden vooral met een ‘qu’ beginnen. En als we dan nog even naar de grootste taal ter wereld, het mandarijn Chinees kijken, dan vinden we daar ‘cí’ (hoor: tsuuh, met de ‘u’ van ‘flut’) voor woord (ook: frase, uitdrukking en klassiek Chinees gedicht, altijd heel veel keuze in het Chinees ).   dus, fraai gevangen in dit karakter, dat in het vierkantje een mond laat zien en als radicaal (linkerdeel) de sterk gestileerde yán-klank (hoor: jèn) toont, die op zichzelf ook woorden en spreken, betekent. Heel duidelijk voor Chinese ogen dus, maar een w-klank als start van een vraagwoord is enkel en alleen te vinden in de uitdrukking:  为什么 wèishénme betekent: WAAROM?
Niet getreurd: het zoeken naar de oorsprong van dingen, verschijnselen, planten en dieren en melkwegen blijft geweldig fascinerend, al komen we natuurlijk heel vaak niet door de laaghangende bewolking van het verleden heen. Er zijn mensen geweest die al hun spitsvondigheid in het veld brachten om het oudste dit of het eerste dat te achterhalen. Neem nou het niet meer zo bekende verhaal van mijn goede jeugdvriend Herodotus van Halicarnassus (ca 480-430 voor Christus), met zekerheid de eerste reizende en razende reporter van de Westerse Wereld. In het tweede deel van zijn negen delen tellende ‘Historiën’ ofwel historische onderzoeken, voert mijn vriend een Egyptische koning ten tonele bij monde van priesters van een Griekse vuurgod in Memphis, Egypte. Deze heerser wilde weten of het wel echt waar is dat Egyptenaren het oudste volk ter wereld zijn. Hij vond daarom dat hij moest zien uit te vinden welke taal het oudste is en dat zou naar zijn mening de taal kunnen zijn die kleine kinderen beginnen te spreken, als ze verder bij hun opgroeien van baby naar peuter en kleuter nog nooit gesproken taal hebben gehoord. Een uiterst merkwaardige premisse van deze koning, alsof niet alle taal nabootsing is en alle woordjes gewoon geleerd moeten worden. Soit!
 Het verhaal gaat verder. Koning Psammetichos, want zo was zijn naam, liet daarom twee willekeurige pasgeboren wichten bij hun ouders weghalen, gaf ze aan een herder met de volgende instructie. “Tegen deze wichten mag door mensen geen woord gesproken worden, ze moeten in een aparte schuur verblijven, waar ze ook slapen in hun bedjes. Af en toe mogen enkele geiten bij hun gebracht worden en krijgen ze voldoende geitenmelk en als hun babygehuil achter de rug is en hun peutergebrabbel, dan moet je heel goed opletten welk verstaanbaar woord deze twee als eerste uitspreken. En dat moet je me rapporteren, zodat ik kan nagaan uit welke taal dat woord is. Het ging zoals de koning beval en toen de twee kleintjes na twee jaar in de schuur op een goede dag de deur weer hoorden opengaan en de herder, de enige mens die ze kenden, binnenkwam, stommelden ze naar hem toe, staken hun armpjes omhoog, pakten de man bij zijn knieën en riepen: bèkos. Geen wonder, natuurlijk voor kleintjes, die enkel mekkerende geiten (bèèèèh enz.) geluid hadden horen maken in hun korte leventjes tot dan toe. De herder rende niet meteen naar de koning, maar wachtte af en stelde vast dat de arme kinderen enkel en alleen maar ‘bèkos’ ( in het Grieks van Herodotus: βεκóς) tegen hem riepen. Toen bracht hij ze naar de koning en ook daar riepen ze weer βεκóς, βεκóς, βεκóς, βεκóς enz. Toen liet de vorst nagaan in welke taal dat woord bestond en wat het betekende en wat bleek? In Phrygië, een landstreek midden in wat nu Turkije is, werd uiteraard Phrygisch gesproken en daar zeiden de mensen βεκóς tegen brood. Toen liet de koning officieel bekend maken, dat het Phrygisch de oudste taal ter wereld is en de Phrygiërs in ieder geval ouder en eerbiedwaardiger zijn dan de Egyptenaren. Of de twee arme kinderen hun hele leven verder zijn blijven mekkeren op zijn Grieks vertelt de geschiedenis niet. Ze zullen zich wel met meer moeite dan normaal met spraak opgevoede kinderen een taal eigen hebben kunnen maken. Herodotus meldt nog dat een andere versie van dit βεκóς-verhaal vertelt dat de kinderen werden opgetrokken door enkele vrouwen, bij wie de tong was uitgesneden.
Tot zover een stokoud, gebrekkig mondeling onderzoek. Veel betrouwbaarder en belangwekkender worden woorden natuurlijk als ze worden opgeschreven. Spreken is woorden wegblazen, maar schrijven is vastleggen, vasthouden, met het enkele nadeel dat de uitspraak in de lucht komt te hangen. Hoe hebben dode talen als het klassieke Latijn en Grieks geklonken? De Egyptische hieroglyphen dan? Het schrijven is natuurlijk de nummer èèn vondst in alle eeuwen der eeuwen. Dat geldt ook voor het lezen. En helemaal voor het vastleggen van stemmen op geluidsdragers sinds ongeveer anderhalve eeuw: wasrol, schellak, magneetband, CD, computer. Het lijkt erop, dat we er steeds meer in slagen het verleden in geluiden, maar ook in beelden vast te houden, totdat toch de tand des tijds gaat toeslaan. Boeken verschimmelen, verbranden, worden opgevreten door insecten, schijfjes verliezen kwaliteit en celluloid verpulvert. Pantarhei is het laatste woord: alles stroomt weg, als water door een mand en als zand door onze vingers. Niets is blijvend.
Op goed geluk heb ik deze, mijn overpeinzingen samengevat in onderstaand gedicht.
     

                        BUNTER

woensdag 31 december 2014

De Waerelt volgens Bunter XL




Veel zalige Snipsel

voor iedereen in 2015







Dag oud jaar, dag 2014.
 “Adieu oud jaar, het valt niet zwaar te scheiden”, luidt de aanhef van een oudejaarsgedicht uit een van de oorlogsjaren 1940-1945, toen in heel Europa het licht uitging, de kou bitter werd en de honger zich overal invrat. Mijn moedertje zaliger placht het deels te citeren, zoals ze ook vaak verbijsterd uitriep: “Heer, geef licht in deze donkere dagen”, haar handen omhoog gestoken. In de bijna laatste goede krant van Nederland noemt Bert Wagendorp 2014 impliciet het jaar van de duistere vorsten van de absolute waarheden en de simpele werkelijkheden. Een paar van zijn collega’s zien het oud jaar veel liever als “het jaar van de billen”. Al proberen ze hun besmuikt en geil geginnegap te rechtvaardigen met fotootjes uit een andere wereld, nooit werd naar mijn smaak een plank verder misgeslagen.
2014 was het jaar van de vallende vliegtuigen met de onheilspellende codes: eerst  op 8 maart MH370 (239 passagiers), misschien ten westen van de Australische kust, maar nog steeds niet gevonden, toen op 17 juli MH17 uit de lucht geschoten boven Oekraïne met 298 mensen aan boord. En tenslotte QZ8501 die met 162 mensen aan boord op zondag 28 december j.l. boven de Javazee tussen Surabaya en Singapore van de radar verdween en na enkele dagen in ondiep water werd gevonden. Het is altijd mijn angst als ik weer eens over dat enorme water naar het westen wil vliegen: als we maar niet in zee storten. Toch ben ik in januari, februari, november en december in totaal 4 keer overgevlogen. Telkens turen naar dat landkaartje op het stoelschermpje naar dat witte speelgoedvliegtuigje.
Voeg bij dit onheil de opzettelijke wreedheden en de oorlogsellende in het Nabije Oosten en je gaat je afvragen wat dat voor mensen zijn die 2014 uitroepen tot het jaar van de kont en de billen. Hebben ze soms hun eigen blote kont nog nooit gezien of die van hun partner of hun kinderen? In welke dimensie leven ze eigenlijk?
Mijn 2014 was van Heleen. Op vrijdag 20 juni kwam ze in Saarbrücken ter wereld als mijn zevende kleinkind. Haar trotse moeder houdt me wekelijks op de hoogte van haar vorderingen als klein mensje via Google+-foto’s en mijn jongste zoon, haar vader, zag in alle drukte in augustus kans zijn dissertatie aan de Universiteit van Saarland in Saarbrücken succesvol af te ronden met een uiterst rielekst ‘Rigorosum’. Bovendien verhuisde het jonge gezin in november naar een prachtig nieuwbouwhuis.
Mijn 2014 was ook van de drie jonge wespenkoninginnen, die ik op mijn zolder vanaf september op verschillende plekjes, totaal verstard en verdroogd, aantrof en door het zolderraam naar buiten gooide. Deze forse dieren kunnen bij de goede temperatuur wakker worden, maar zijn niet aggressief, omdat hun angel is omgebouwd tot legboor en hun gifzakje tot sperma-reservetankje, waardoor ze niet kunnen steken. Ik verwacht meer rupsen in mijn tuin komend voorjaar, want ik ga ervan uit dat de drie insectenvorstinnen met het achterlijf vol wespeneitjes niet alle drie de kwakkelwinter zullen overleven en aan een wespennest zullen toekomen. Rupsenballetjes is het favoriete voer in een wespenkolonie in opbouw.
En ook van de vele tientallen bloembolletjes die ik op Texel in een bollenschuur, goedkoop en meteen van het veld, kon meenemen. Mijn tuin wordt een paradijs en ik hoef er niet eens een bomgordel voor om te doen.
Mijn 2014 was in de allerlaatste echt donkere dagen het jaar van een griezelige buikgriep, die op tweede kerstdag uit het volkomen niets in een fractie van een seconde toesloeg. Ik kreeg een stukje kalkoen in een heerlijk cognacsausje op mijn bordje als afsluiting van het feest. Absoluut geen watertanden, maar alsof een bijbels donderende stem uit de hoogte tegen me riep "Eet dit niet, bah, walgelijk". Op slag werd mijn maag een steen, draaisde zich schurend om en ik begon zowaar te kokhalzen. Er kroop een ijzige rilkouide door me heen, mijn darmen voelden aan als een zak vol vuilwe was in mijn onderlijf en voor ik het wist trad de grote zuivering in: drie dagen braken en waterdunnen diarree bij de minste gedachte of confrontatie met eten of drinken. De eerste nacht ben ik met paracetamol doorgekomen en een plastic emmer  naast mijn bed. Als ik me omdraaide op mijn andere zij, begon mijn hele spijsverteringskanaal te protesteren en te kraken. Zo ben ik twee dagen lang, steeds slapper wordende, bed in bed uit gekropen, naar de emmer of de toilet, af en toe een slokje water drinkend. Toen heb ik in drie uur tijd vier tabletten diareestopper geslikt en langzaam kalmeerden mijn fundamenten. Gelukkig geen koorts, maar wel veel koude rillingen.
Pas de dag voor oud jaar kwam ik terug in het leven en het eerste wat ik me afvroeg: als ik me van een simpel buikgriepje al zo ellendig voel, hoe moeten al die duizenden Ebola-zieken zich voelen? 2014 was ook het jaar van Ebola.
Ik ben zeer dankbaar, dat op Oudejaarsdag mij het volgende gevoel doortrok, dat ik hier wil delen in de taal, waarin het oorspronkelijk opgeschreven en omschreven is in de herfst van 1886 in de Italiaanse plaats Ruta bij Genua. Hou je vast, komt-ie:
"Dies ganze Buch ist eben nichts als eine Lustbarkeit nach langer Entbehrung und Ohnmacht, das Frohlocken der wiederkehrenden Kraft, des neu erwachten Glaubens an ein Morgen und Übermorgen, des plötzlichen Gefühls und Vorgefühls von Zukunft, von nahen Abenteuern, von wieder offnen Meeren, von wieder erlaubten, wieder geglaubten Zielen." Ik wens alle Ebola-slachtoffers dat gevoel toe, wanneer ze allemaal geheel hersteld zijn. Want wat heeft de schrijver van dit citaat doorstaan:
"Und was lag nunmehr alles hinter mir! Dieses Stück Wüste, Erschöpfung, Unglaube, Vereisung mitten in der Jugend, dieses eingeschaltete Greisentum an unrechter Stelle, diese Tyrannei des Schmerzes, () diese radikale Vereinsamung als Notwehr gegen eine krankhaft hellseherisch gewordene Menschenverachtung, diese grundsätzliche Einschränkung auf das Bittere, Herbe, wehe Tuende der Erkenntnis, wie sie der Ekel verordnete, der aus einer unvorsichtigen geistigen Diät und Verwöhnung - man heisst sie Romantik - allmählich gewachsen war - , oh wer mir das alles nachfühlen könnte."
De Duitse filosoof  en classicus Friedrich Nietzsche schildert hier zijn eigen lijden, geestelijk, maar met een lichamelijke basis, waaraan hij in 1900  uiteindelijk bezweek. Hij kijkt niet op een regel bij het uitsmeren van zijn ronkende zinnen in het tweede voorwoord bij zijn boek dat nota bene "Die fröhliche Wissenschaft" als titel draagt. "Aber lassen wir Herrn Nietzsche! Was geht es uns an dass Herr Nietzsche wieder gesund wurde...?", zegt hij zelf met vrolijke zelfspot een pagina verder.
Het zal niemand verbazen, dat deze referentie voor mij opgesloten blijft in het jaar 2014, het oude, afgeleefde jaar.      



Mijn wens voor 2015: met meisje Maria wil ik hier “Deposuit potentes de sede et exaltavit humiles. Esurientes implevit bonis et divites dimisit inanes.” “Hij stootte machtigen van hun zetel, en nederigen heeft Hij verheven. Hongerigen heeft Hij met gaven vervuld, en rijken heeft Hij leeg weggezonden.” zingen. Een prachttekst uit het eerste hoofdstuk van Lucas’ evangelie, die in deze wereld te weinig gehoord wordt.


En verder wens ik iedereen voor 2015 “väöl tuute snipsel”. De uitdrukking “un tuut snipsel” gaat terug op mijn vader zaliger in de zonnige jaren vijftig van de vorige eeuw. Hij bracht voor zijn kinderen geregeld een forse doos koekjesafval mee, afkomstig van een Maastrichtse ijswafeltjes en koekjesfabriek, die in mijn herinnering La Maestrichteoise of Maastrichtoise heette. Een verrukkelijke mix van snippers of brokstukjes van wafeltjes, gesuikerde waaiertjes, koekjes en wat al niet meer, die hij voor ons in grote puntzakken van krantenpapier deed. Trots gingen wij in een groepje daarmee de straat op om onze buurkinderen een beetje de ogen uit te steken en heel af en toe ook te laten meesnoepen. De koekfabriek was een van vaders vaste klanten, waar het ging om kantoorartikelen van ver voor het tijdvak van beeldscherm en computer en boekhoudsysteem. Zo handelde hij ook periodiek met enkele fruitkratten doorgedraaide appels van de Venlose fruitveilingen. Ook een klant, die hem graag een paar kilo volkomen gaaf, doorgedraaid fruit liet meenemen voor de kinderen. Appels en snipsel staat voor mij voor totaal zorgeloos kindergeluk. Dat wens ik dus iedereen hier. Tot in het Midden-Oosten toe en het diepste van de woestijnen.


Wat origineel, denkt nu iedereen, hoop ik, maar elke uitdrukking heeft zijn context. De term ‘snipsel’ komt uit het Duits, waar men van Schnipsel spreekt om een papiersnipper of papiersnippers aan te duiden. En een tractatie van koekjesafval uit Maastricht was al in de jaren dertig van de vorige eeuw bekend in Elsloo, getuige dit citaat dat ik op Internet vond op een aan regionale historie gewijde rubriek. “Een ander bekend winkeltje was dat van Marie-Catharien Botti aan de Raadhuisstraat. Marie-Catharien werd ook de "Broktant" of het "Brokvrouwtje genoemd. () Haar specialiteiten waren haringen en "brok". Op vrijdag -vastendag- verkocht ze haringen die ze zelf inmaakte en die bijzonder lekker smaakten. De grootste trekpleister, voor de jeugd althans, was de "brok". Dit was het afval van voornamelijk ijswafeltjes die stukgingen tijdens het productieproces in de Victoria-koekjesfabriek in Maastricht. Lang ging Marie-Catharien te voet naar Maastricht om een grote zak van deze "brok" te halen. Van oude kranten, die ze nauwkeurig in stukken sneed, plakte ze postzakken in twee maten. Op zondagmorgen was er een drukte van belang want dan werd de "zondagscent" of ook wel de cent die bestemd was voor de schaalcollecte in de zondagsmis omgezet in een postzak met "brok" van 1 cent of 2 1/2 cent.”


“Implevit bonis”, dus met appels en snipsel, al kende ik die tekst natuurlijk niet tussen mijn vierde en elfde jaar. En wat verwacht ik van 2015? Ik hoop dat uitgeverij Bert Bakker uit Amsterdam kans ziet de nog resterende delen van de prachtserie ‘Geschiedenis van de Nederlandse literatuur’ af te ronden. Komend jaar duik ik ettelijke maanden onder in deel 3, “Het gevleugelde woord” (1400 – 1560) van de bekende Amsterdamse middeleeuwer Herman Pley. De twee delen daarna tot 1800 liggen ook al klaar en van mijn boekhandelaar heb ik begrepen dat het daarbij blijft, terwijl net de negentiende eeuw mijn lievelingseeuw is. Mijn wens en tegelijk dringend verzoek aan schrijvers en uitgever is daarom. Gaat U astublieft door, beste mensen, laat me niet ergens in de pruikentijd aan mijn lot over. Neem gerust wat snipsel! Het helpt.
BUNTER




dinsdag 16 juli 2013

De Waerelt volgens Bunter XXXVII




Hemerocallis fulva of doordeweeks Daglelie. Ooit door mij op een vochtige holle weg rond mijn dorp als een weggesmeten wortelkluit opgeraapt en in mijn voortuin geplant.  Ongeveer 15 jaar vielen elke zomer alle bloemknoppen verschrompeld en ziek af en dit jaar bloeit de daglelie eindelijk uitbundig. Hoera! Foto ARLETTE MULDER.
Hier staat Bunter in de keuken in vol bak-ornaat met een pasgebakken brood. Foto INE
 
Di is de Lilium martagon L., doordeweeks Alpenlelie, in mijn achtertuin, Eindelijk na misschien wel 20 jaar in bloei na een succesvolle actie tegen de vraatzucht van de larven van het Leliehaantje. De kelk van deze lelie wijst omlaag als en ouderwets lampekapje, terwijl de Daglelie de volle kelk van zijn prachtige bloem naar de hemel opent. Jammer genoeg is de oriëntatie van de foto niet correct. Hij moet een kwartslag naar rechts gedraaid worden, maar de uploadfunctie van blogspot wilde hem alleen zo doorgeven.  Foto BUNTER

.

Over brood, lembas

 en ook nog

leliebloemen



Boven en onder een knoeperd van een zuurdesembrood van ongeveer twee kilo. Elke week wordt er gebakken in huize BUNTER. Foto BUNTER.

Verdulleme, vandaag, woensdag 10 juli, zal het gaan lukken. Het is net elf uur geweest en er is niets meer, dat ik nog moet doen, voordat ik achter mijn platte typmachine, het toetsenbord van mijn woordpiano, mijn opgelapte laptop, mijn schootschieter kan zakken. Schoottop, wat een intens vrouwelijk woord. Alsof woorden uit mannen komen, zoals kleine baby’s op de juiste tijd uit hun moeder komen. Mijn woorden worden echt niet geboren, uitgeperst, ontwikkeld, naar buiten getrokken. Ze flitsen draadloos door mijn hoofd, vooral door het balkonnetje boven mijn ogen en dan vang ik ze door iets langzamer te rammelen op dit vakjesding dan te denken. Ik denk, dus ik tik. Stop, voor ik getikt raak.Hier wilde ik het helemaal niet over hebben. Hierboven staat: over brood en leliebloemen. Ga terug, Bunter, naar het grote pad, want je hoeft niet meer te stofzuigen, af te wassen, te wieden, de vaatwasser uit te ruimen, te stoffen, te mailen, te lezen, deeg te maken voor zuurdesembrood…
Jahaa, daar zijn we, al na 15 regels inleiding op deze maagdelijke, pristine woensdagzomerochtend met leeg hoofd, waarin mijn woordzaden vallen als in vette kruimelklei met een beetje zand en doodverteerd boomblad.
 Het moet over brood bakken gaan. Welnu, op zaterdag 28 juni 2008, nu alweer vijf jaar geleden, heb ik als een van mijn eerste blogstukken over mijn broodrecept annex -ritueel geschreven onder de titel ‘Mijn Lembas’ met een duidelijke verwijzing naar het Elfenbrood, bedacht door Tolkien in een van de delen van zijn ‘In de ban van de ring’. Een fantastisch lang verhaal met alle details erin. Zo heb ik het graag, ook het brood. Ik bak nog steeds zuurdesembrood, vooral op de dinsdagen, die op de weekkalender de naam BAKDAG krijgen in blokletters.
Daarvoor bakte ik ook al de nodige jaren brood. En nu ik komende St. Jacobusdag ( dit jaar is dat donderdag 25 juli) 65 jaar oud wordt en eindelijk officieel geen flikker, geen mallemoer, helemaal niks meer hoef te doen om toch elke maand genoeg (wat heet genoeg?) pegels te vangen om verantwoord en soms lekker te kunnen eten, leuke dingen te doen en reisjes te maken enz. enz. , heb ik besloten mijn zuurdezembrood niet meer ‘lembas’ te noemen, maar een nieuwe naam te geven: ‘zoerpanl’or’. Die ga ik niet uitleggen, hier. Een volgende keer aan de hand van de mij toegemailde opgetrokken wenkbrauwen, verbijsterde opmerkingen en andere andere reacties.
De ervaring van al die jaren bakken leert het volgende. En nu puntsgewijs, want lopende zinnen lopen altijd weg en alle kanten op in mijn dikke walenkop.
* Je kunt met veel minder ingrediënten toe. Mijn favoriete toevoegingen zijn nu: Serehpoeder, beetje sojasaus, kummelzaad en kurkdroge tijmblaadjes. Daszat (dat is meer dan genoeg).
* Giet vooral geen olijfolie of ander vettig spul in het deeg. Het slaat de acties van de wilde gisten etc hartstikke dood, lijkt het leven te verstikken. Je brood rijst dan als een baksteen soms zelfs als een badkamertegel. Dikke matses, dus.
* Geen sterke, Chinese thee als vocht gebruiken, gewoon lauw kraanwater. Zo blijft je beslag veel lichter en krijgt je volkorenbrood de tint van tarvo. En wie heeft daar nou niet heerlijke-jaren-vijftig herinneringen aan. Stop. Hier kom ik op terug. Niet nu.
* En tenslotte een fantastische bijdrage van mijn lieve schoondochter Verena, die mijn jongste zoon Pepijn gelukkig maakt en hij op zijn beurt haar. Ze liet me zien hoe ik simpel bakpapier als voering in de bakvorm kan leggen en aan de binnenkant lichtjes insmeren met boter. En dan geen zwartverbrande boter meer in de korst van je brood, mooie afgeronde randen en hoeken, geen harde korst en geen voortdurende aankoeking van je bakblik. 谢谢,多谢,Verena.
* Doe je voordeel met deze aangepaste tips, heelhollandbakkers en      -baksters.

En vanaf hier gaat het over mijn lelies, in mijn achter- en voortuin. Dit is mijn leliedagboek. Na ettelijke jaren knarsetandend het lelie afvreten door de larven van felrode leliehaantjes te hebben moeten aanzien, heb ik dit jaar die rotkevertjes tijdig kunnen wegvangen, plattrappen op de tegels en hun afgezette eitjes kapotwrijven aan de onderkant van het blad. Eindelijk ongestoorde groei en bloei. Op woensdag 28 juni, nota bene een koude dag met  regen en wnd, is de eerste L. martagon-bloem 's ochtends helemaal open. Mijn dag kan niet meer stuk.  

       
vrij 28 juni: bloem een. Foto BUNTER
Nog geen beweging aan de zevenknopstengel  za 29 juni. foto BUNTER
Op zaterdag 29 juni zijn de zeven knoppen aan de tweede bloeiende Alpenlelie tussen de Phlomisstengels nog allemaal stijfdicht. Ook hier weer een verkeerd gedraaide upload van Blogspot.
voorzichtig bloem twee in beeging op za 29 juni. Foto BUNTER
    
Maar op diezelfde dag is knop twee van de lelie onder de walnotenboom heel even open. Hieronder op zondag 30 juni is knop twee helemaal open.

 
Tweede bloem helemaal open op zondag 30 juni. Foto BUNTER
Stella helpt tegenlicht tegen te houden. we zien de tweede bloem in het hart. De stamper wijst al niet helemaal recht naar beneden, begin omhoog te krommen. Zo.30-06. Foto BUNTER


Bloem drie is klaar op woensdag 3 juli. Foto BUNTER
Woensdag 3 juli is de dag van de derde bloem onder de notenboom , terwijl de zevenknopper tussen de Phlomis een inhaalslag maakt. Twee knoppen open en een pigmentloze knop, een beetje..


 
Bloem drie helaas liggend. Foto BUNTER
Inhaalslag zevenknopper op woe 3 juli: twee knoppen open en een bleke knop op barsten. Nogmaals de nek een kwartslag draaien, sorry. Foto BUNTER.

Nog in het tweeknopsstadium, een met rijpe en een met onrijpe meeldraden. Foto BUNTER
Op de foto van de twee open knoppen hierboven is iets merkwaardigs te zien: de roze stamper tussen de oranje meeldraden begint langzaam omhoog te buigen tussen de meeldraden door. Als de vruchtdoos van een banaan, die aan de Musaboom ook aan een dikke stengel in trosverband naar beneden hangt en zich toch naar boven kromt. DAAROM ZIJN DE BANANEN KROM!! Aan het eind van die vruchtdoos zit ook een plakkerig stampervlak, het bij uitstek vrouwelijke element bij planten en bomen en struiken, van wezenlijk belang bij de zaadvorming. De oriëntatie is neerwaarts van zowel deze leliebloem als de bananentros, maar de inwerking van het licht is sterker. Een stamper als vrouwelijk deel in erectie zou ik zeggen, in menselijke termen. Zo flexibel is moeder natuur: alles ten dienste van de voortplanting en zaadvorming, want het gaat erom natuurlijk om stuifmeelkorrels op te vangen op die plakkerige stempel op de top van de stamper. Hoe dan ook. Hoe? nou zo! In deze vergelijkende optiek, op zoek naar homologe constructies in bloemplanten en zoogdieren is de juiste term voor sperma of mensmannelijk zaad natuurlijk STUIFMEEL. Mannen produceren stuifmeel. Het zaad is het beginnend leven na de vereniging van de genen van de vader en de moeder, het embryo.
 

The fourth of July: de leliebloeistengel is in volledige bloei. Allevier de knoppen open, van boven gezien, alle bloemen 'kijken' naar beneden, maar de stampers met stempel niet .Foto BUNTER





Vier juli: Alle bloemen open, behalve van de zevenknopper. Aan zijn stengel hebben zich twee knoppen niet ontwikkeld en zijn onvruchtbaar gebleken. Een is er afgevallen. Toch nog één bloem meer dan aan de andere stengel.  



4 juli: drie open knoppen, denk aan de kwartslag met excuses. Foto BUNTER
vrijdag 5 jul: vier open knoppen, waarvan een bleke,  twee nog dicht en een afgevallen. Alweer een liggende foto, kwartslag naar rechts svp. Foto BUNTER 

Eindstadium op donderdag 11juli: alle bloemblaadjes (24 stuks in totaal) afgevallen en de stampers met stempel nog op de zaaddoos en omhooggekruld na een kwartslag rechts Mijn lichte zomerbroek als achtergrond. Fotro BUNTER.  De zaaddozen zijn aangelegd en de stampers verdrogen langzaam, hoewel nog omhooggekromd. Dit is het voorlopige eindstadium van de bloem. "Hoe zeere vallen z'af, de zieke zomerblâren. Hoe zinken ze, altemaal, die eer zo groene (lees: paarsig) waren. te grondewaarts." Schrijft dichter Guido Gezelle  in oktober 1894. Hij heeft het over boombladeren in de herfst en houdt er een Wagneriaans stafrijm op 'z' als initiaal (sorry, beginletter) erop na. Heel mooi, vind ik en toepasselijk. Het is nu afwachten of ze zaaddozen gaan groeien. Of het stuifmeel bij de eicel geraakt is. Denkutwel, want daar was het toch allemaal om te doen.










Kijk toch eens hoe prachtig, deze daglelie: Helemaal omhooggericht naar de zon. Geen bangschijterig  lampekapje hier. Foto ARLETTE MULDER.
Daglelie en Alpenlelie. Wat een verschillende karakters. De een frank en vrij met bloemkelk, meeldraden en stamper, het gehele geslachtsapparaat open en bloot naar boven gericht voor maximale bestuiving. Een exhibitionist in optima forma, zou je in menselijke termen zeggen. Heel wat anders dan die verlegen, bescheten Alpenlelie. Alle bloemen als bange lampenkapjes naar beneden, terwijl alleen het stampertje stiekem omhoogkrult om toch te zorgen voor bevruchting, bestuiving..Desnoods zelfbestuiving. Wat kan het die verlegen muurbloem schelen.

Digitalis lutea, Geel Vingerhoedskruid door de week. Kleine bloemetjes, smal en eng en naar beneden hangend. Geen nood  De honingvoorraad is zo groot, dat zelfs dikke vette hommels naar binnen willen en desnoods hun lange tong gebruiken. Foto ARLETTE MULDER.
Nogmaals Daglelie, een regelrechte beauty, toch!!. Foto ARLETTE MULDER
Dit is de Zwarte Engbloem, Vincetoxicum nigrum, als toetje van al deze botanische beschouwingen. Foto BUNTER
Ik besluit met een plaatje van de Zwarte Engbloem, Vincetoxicum nigrum, ook in mijn achtertuin te vinden. In het botanische Latijn van de naam staat er letterlijk: overwinnaar van gif. Dus niet! Pas op, deze klimplant is giftig en vooral braakverwekkend. Alleen maar kijken naar dit veel te lichtgekleurde bloemetje, dat volgens Google-afbeeldingen veel donkerpaarser en zwarter moet zijn. Het lijkt wel een pïepklein lelietje. Helaas, maar vijf blaadjes en geen zestal, zoals bij veel lelies. De Engbloem is lid van de familie der maagdenpalm-achtigen. Maagdenpalm, maagdenpalm? Zou de Engbloem ook zo akelig stiekem en preuts zijn als de Alpenlelie? Nooit iets van gemerkt hoor!!

BUNTER