woensdag 21 oktober 2015

De Waerelt volgens Bölles Bunter XLII

 Helemaal winterklaar

Stokroossnuitkevertjes, unverfrohren parende. Vrouwtje heeft de langste...snuit. Foto Internet
Langzaam koelen we af tot onder de 10 graden Celsius en worden we ook natter. De lage luchtdruk, tenminste zo werkt het bij mij, geeft meer energie, omdat het hart niet meer tegen de hoge druk hoeft op te pompen. Een vreemde onrust, bij edelherten en andere zoogdieren goed bekend als bronst, bevangt me, maar met de juiste psychische sublimatietechniek kan deze onrust worden gericht op tuinwerk en vele andere klusjes in en om het huis. Jawel, het zomerlanterfanten is voorbij. De overgang naar de winter is zeer geschikt voor klussen.
  En daarom vond ik me onlangs terug in mijn voortuin. Op het eerste gezicht een echte jungle, maar dat is alleen voor de ogen van onwetenden, niet-plantenkenners, wilde-flora-haters, ONKRUIDschreeuwers en andere ongroene gemeenteleden. Ik zaai en plant, laat alles dan zijn gang gaan en selecteer in het najaar. Wat wordt weggeschoffeld, omgespit, met wortel en tak verwijderd en wat mag blijven. Van de planten die me het meest aanstaan verzamel ik de zaden om ze elders weer uit te werpen. Zo blijft het altijd spannend in de tuin.
Groenton na groenton vul ik met afgeknipte toppen, al te weelderige zijtakken, uitgetrokken Meldes, Brandnetelzaailingen, voordat ze aan hun ondergrondse netwerken kunnen beginnen. Eerst heb ik zaden geoogst van de ongeveer zes meer dan twee meter hoge exemplaren van Zwarte Stokroos, Alcea rosea nigra, aangenaam, een levend wezen dat je in het Latijn en in de volkstaal nog zwart mag noemen, zonder gelijk voor slavendrijver te worden uitgemaakt door enkele genetisch verongelijkte Mokummers, randstadkankeraars en meelopers en -schreeuwers. Deze zaadoogst was een merkwaardige ervaring. Zoals bekend hoort de Stokroos thuis in de Kaasjeskruidfamilie (Malvacaea), net als de heilige Maya-boom, de kapokboom of Bombax ceiba, aangenaam), een echte woudreus met plankwortels en forse doorns op de stam. De stokrooszaden zitten als voorgesneden partjes van een Hollandse kaas, in een rondje in de verdroogde bloemknop, vandaar de naam. Ik heb tientallen bloemknoppen in mijn handen verpulverd en de zaden losgeknepen en in een witte plastic ijsdoos gedaan en na een tijdje kijk ik hoeveel zaad ik al heb en dan krijg ik het idee dat mijn zaadjes zonder te kiemen al levend zijn geworden en op zes piepkleine pootjes rondrennen door mijn doos. Ik sta tot mijn verbijstering oog in ook met een enorm leger van stokroossnuitkevertjes, mannetjes en vrouwtjes die door elkaar heen rennen en af en toe onder mijn ogen unverfrohren paren. De meisjes hebben veel langere boorsnuiten dan de jongens en de mannen omdat ze die ook als eiplaatsboor (ovipositor, aangenaam) gebruiken. Een complete horde van telkens 3 tot 4 millimeter lang leven rent in de doos rond en als ik met de zaden schudt, dan raken de diertjes in paniek en steken hun snuitjes zwaaiend omhoog, alsof ze willen zeggen: “Hallo zeg, wie is daar met die aardbeving bezig? Kan het ook wat minder?
Curculio nucum of Hazelnootboorder  Foto Internet

Dit kevertje boort in eikels: Curculio glandium Foto Internet.

Toen ik de keverhorde eenmaal op naam had gebracht: Rhopalapion longirostre, aangenaam, familie van de hazelnootboorder, Curculio nucum, aangenaam en de eikelboorder, Curculio glandium, aangenaam, en zo zijn er voor tal van botanische uitstulpsels boorders, kreeg ik met de massa mededogen en begonnen mijn ogen te branden, bij wijze van spreken. Winters? Wat moet er van hem worden, als we eindelijk weer eens een Elfstedentocht kunnen rijden? Met dit soort vragen in het achterhoofd lees ik gewoon door totdat ik zie, dat de strooisellaag rond de stam van stokrozen voor een paar maanden best een warm holletje kan oplevren voor verschillende ontwikkelingsstadia van het beestje. Ze zijn zelfs zo klein, dat ze in de platte stokrooszaadjes een zogenaamde poppenkamer kunnen boren om het kroost een plekje te geven te overwinteren als pop.
 Het hele leven om ons heen is de komende maanden op de vlucht voor de kou. Ganzen en kraanvogels vliegen in indrukwekkende formaties boven onze hoofden naar het zuiden al honkend en schreeuwend. Meesjes en andere kleine zangvogeltjes kruipen rillend bij elkaar in verlaten vogelhuisjes. Blaadjes van bomen wachten geduldig in knoppen aan takken tot de nieuwe sapstroom hen bereikt, eind maart misschien. Insekten verbergen zich in dode stengels van hoogopgaande bloemen en het afgevallen blad is eem paradijs voor alles wat kruipt en wanhopig graag nog een jaartje of zo mee wil. Het is daarom dat ik zo’n bloederige bloedhekel heb aan de bladblazers. Het is niet alleen die tyfusherrie, maar ook de afbraak van de winterwereld van zoveel levende wezens. Wantsen, kevers, vlinderpoppen en egeltjes en noem maar op van al wat leeft, gaan eraan omdat onze tuin zo nodig WINTERKLAAR moet zijn.
 Wij als Homo sapiens sapiens blijven gewoon binnen, trekken een trui aan of dragen een mooi tweed colbertje met een fijne das om de nek. Heb je al eens ooit een Lieveheersbeestje met een ijsmuts gezien? Neen?, maar wel blijven knippen, weggraaien en blazen maar. Dat kan echt ook in maart en april, mensen, als de hommelmoeders weer boven het Longkruid zweven en de grond afzoeken naar lege muizenholletjes. Doe het NU NIET! Laat liggen! Begin desnoods zelf aan een winterslaap!
  Ik leef met het vluchtende leven mee en probeer zoveel mogelijk diertjes van allerhande slag in mijn tuin te herbergen. Niet in tentjes, piepkleine containertjes, uitgewoonde stinkkantoortjes of oude schooltjes enz. Nee, gewoon in dode stengels, hopen afgemaaid gras en doodbladpyramides her en der. En als ik ’s avonds na mijn nachtrust-theetje over mijn voorverwarmd onderlaken naar beneden in mijn nest schuif, denk ik aan al die vliegers, kruipers en strompelaars op de vlucht voor de kou en de schimmelende nattigheid. En ik hoop vurig dat ze veilig, droog en warm zijn, waar dan ook. Daar bid ik dan even voor en dan voel ik me zo echt groen en zo helemaal winterklaar, dat ik meteen inslaap… zzzzz.                     

BUNTER 


 



maandag 30 maart 2015

Bölles Bunter in ut Wèld Weste III


We ploffen meteen
in comfort en luxe

Los Angeles, 13 mei 2000, local time 20.00 uur, Sheraton Gateway Hotel, Los Angeles Airport. Weer dat moment op vijf kilometer hoogte. De remflappen op de vleugels gaan omhoog, het toerental van de motoren omlaag en het toestel lijkt in volle vlucht zomaar in de lucht te stoppen, klaar om vervolgens in een vrille als een dood blad neer te dwarrelen en met ons allen te pletter te slaan. Dat dacht ik vanmiddag weer even om 22.00 uur Nederlandse tijd, toen de landing boven LA werd ingezet. Altijd weer even paniek, toch.
  Het was een lange, lange zit, met een kotsend Chinees meisje naast ons, maar technisch perfect in 10,5 uur. En ons eerste hotel op deze vakantie is uitgesproken luxueus. Een kamer met 2 2-persoonsbedden, twee dikke leunstoelen, deze mooie schrijftafel en tv. Het geheel in de kleur zand of beige. De kleur van de uitgestrekte zandbakken en stofhopen, waar we vlak voor LA nog overheen vlogen. Er groeit totaal niks en de grond is egaal beige tot donkerbruin en kaal. Zelfs langs de oever van enorme meren.
  Van LA hebben we natuurlijk nog niets gezien, want we zijn kapot moe na een dag met negen extra uren. In het Landry’s restaurant aten we voor bijna 30 $ een serious burger met frieten en avocado (well done) en een soort kipfiletsalade. Alles in dit hotel wijst op het comfort van de oudere: leunstoelen, een cigarlounge, ballrooms dwz conferentiezalen etc. Het zwembad is buitenshuis, dus nog te koud, nu. Op verdieping 12 hebben we uitzicht op het vliegveld. Hopelijk geldt hier een nachtvluchtverbod.
  We troffen deze middag om precies 14.05 uur in de hotellobby onze reisleider Eric de Jong. Tegen de voucher had hij de kamersleutel en weer een boekje met dezelfde tekst. Ik ga nu slapen, ben te moe. De Palmen, ja de palmen en de bloeiende bomen (rood) vallen meteen op hier in L.A.


BUNTER

vrijdag 27 maart 2015

De Waerelt volgens Bölles Bunter XLI



Woorden, Worte, Words


Waarom heet zoiets als een woord eigenlijk een woord? Het woord ‘woord’ is een woord dat een op een naar zichzelf verwijst. ‘Woord’ is dan ook een woord, eigenlijk de moeder van alle woorden, het begin van een taal. Hoever moet een mens al gekomen zijn, wanneer hij kan zeggen: “Ik spreek woorden”?
Ik denk dat er twee redenen zijn om aan het begin van onze taal in Noord-West-Europa een woord ‘woord’ te noemen of Wort of word, maakt niet uit, even afgezien van de telkens verkleurende klinker van het woord. Kennelijk is de klank niet belangrijk, kan en mag heel snel alle kant op variëren, als de harde vocale mal van het woord, wrd, wrd Wrt, maar zoveel mogelijk gelijk blijft.
Ik denk dat een van de eerste soort woorden die mensen tegen elkaar gesproken zullen hebben, vraagwoorden zijn geweest. Wa, in de zuid-oostelijke Limburgse dialecten in Vaals, Kerkrade, Gulpen en aanpalende spraakcentra nu als staart van een telkens en telkens om bevestiging vragende zin voorkomend zelfs bij een bevestiging in optima forma: “Jao, wa?”. Maar nagenoeg altijd vooraan een zin of uitroep: Wie, waar, wanneer, welk, waarom en natuurlijk WAT! Of  - in het Hoogduits: Was? Ik ken een kleuter in Duitsland, die bij zijn verkenning van de wereld om hem heen, heel parmantig kan vragen, terwijl hij met zijn vinger wijst: “Was ist das denn?” Een regelrecht oerzinnetje in welke taal dan ook. Ik zie hierbij kleine Crô Magnon-kleuters, heel vroeg wakker geworden op een mooie zonnige ochtend in april of mei, hun grot uitklimmen in wat nu Zuid-Frankrijk is na een beestige IJstijdwinter en de eerste bloeiende lentebloemen ontdekken of kleine lichtgroene blaadjes aan de bomen.
Bovendien is een woord eigenlijk niets meer dan een trillende windvlaagje, zo vluchtig, zo voorbijgaand, zo kortdurend. Een woord is gesproken zonder dat je er erg in hebt. Wind dus, en daar heb je de letter W van al die vraagwoorden weer! Concentreer je op de stand van je lippen en je mond bij het vormen van een W of van een W-woord. Juist, de lippen vormen een klein kusmondje om daarmee zacht lucht uit te blazen. Het is bijna dezelfde stand als bij de klinker ‘o’ die vraagt om een iets grotere ronde stand van lippen en mond. Zeg maar eens langzaam en heel bewust ‘wooo’ en voel je kusmondje bij het begin van de ‘o’ verder opengaan. De W-klank is dus een prachtige, zachte en subtiele begin-articulatie voor een ideaal woord, dat na een korte inademing op het punt staat uitgesproken te worden met een uitademing.
 Voor zover ik kan zien is de W als vraagletter heel opvallend aanwezig in de Duits-Engels-Nederlandse taalcluster/familie. Luister naar de Romaanse talen dan is de P erg populair om het woord woord mee uit te drukken: parola, parole, palabra, al komt het oude Latijn met ‘verbum’ voor woord, terwijl vraagwoorden vooral met een ‘qu’ beginnen. En als we dan nog even naar de grootste taal ter wereld, het mandarijn Chinees kijken, dan vinden we daar ‘cí’ (hoor: tsuuh, met de ‘u’ van ‘flut’) voor woord (ook: frase, uitdrukking en klassiek Chinees gedicht, altijd heel veel keuze in het Chinees ).   dus, fraai gevangen in dit karakter, dat in het vierkantje een mond laat zien en als radicaal (linkerdeel) de sterk gestileerde yán-klank (hoor: jèn) toont, die op zichzelf ook woorden en spreken, betekent. Heel duidelijk voor Chinese ogen dus, maar een w-klank als start van een vraagwoord is enkel en alleen te vinden in de uitdrukking:  为什么 wèishénme betekent: WAAROM?
Niet getreurd: het zoeken naar de oorsprong van dingen, verschijnselen, planten en dieren en melkwegen blijft geweldig fascinerend, al komen we natuurlijk heel vaak niet door de laaghangende bewolking van het verleden heen. Er zijn mensen geweest die al hun spitsvondigheid in het veld brachten om het oudste dit of het eerste dat te achterhalen. Neem nou het niet meer zo bekende verhaal van mijn goede jeugdvriend Herodotus van Halicarnassus (ca 480-430 voor Christus), met zekerheid de eerste reizende en razende reporter van de Westerse Wereld. In het tweede deel van zijn negen delen tellende ‘Historiën’ ofwel historische onderzoeken, voert mijn vriend een Egyptische koning ten tonele bij monde van priesters van een Griekse vuurgod in Memphis, Egypte. Deze heerser wilde weten of het wel echt waar is dat Egyptenaren het oudste volk ter wereld zijn. Hij vond daarom dat hij moest zien uit te vinden welke taal het oudste is en dat zou naar zijn mening de taal kunnen zijn die kleine kinderen beginnen te spreken, als ze verder bij hun opgroeien van baby naar peuter en kleuter nog nooit gesproken taal hebben gehoord. Een uiterst merkwaardige premisse van deze koning, alsof niet alle taal nabootsing is en alle woordjes gewoon geleerd moeten worden. Soit!
 Het verhaal gaat verder. Koning Psammetichos, want zo was zijn naam, liet daarom twee willekeurige pasgeboren wichten bij hun ouders weghalen, gaf ze aan een herder met de volgende instructie. “Tegen deze wichten mag door mensen geen woord gesproken worden, ze moeten in een aparte schuur verblijven, waar ze ook slapen in hun bedjes. Af en toe mogen enkele geiten bij hun gebracht worden en krijgen ze voldoende geitenmelk en als hun babygehuil achter de rug is en hun peutergebrabbel, dan moet je heel goed opletten welk verstaanbaar woord deze twee als eerste uitspreken. En dat moet je me rapporteren, zodat ik kan nagaan uit welke taal dat woord is. Het ging zoals de koning beval en toen de twee kleintjes na twee jaar in de schuur op een goede dag de deur weer hoorden opengaan en de herder, de enige mens die ze kenden, binnenkwam, stommelden ze naar hem toe, staken hun armpjes omhoog, pakten de man bij zijn knieën en riepen: bèkos. Geen wonder, natuurlijk voor kleintjes, die enkel mekkerende geiten (bèèèèh enz.) geluid hadden horen maken in hun korte leventjes tot dan toe. De herder rende niet meteen naar de koning, maar wachtte af en stelde vast dat de arme kinderen enkel en alleen maar ‘bèkos’ ( in het Grieks van Herodotus: βεκóς) tegen hem riepen. Toen bracht hij ze naar de koning en ook daar riepen ze weer βεκóς, βεκóς, βεκóς, βεκóς enz. Toen liet de vorst nagaan in welke taal dat woord bestond en wat het betekende en wat bleek? In Phrygië, een landstreek midden in wat nu Turkije is, werd uiteraard Phrygisch gesproken en daar zeiden de mensen βεκóς tegen brood. Toen liet de koning officieel bekend maken, dat het Phrygisch de oudste taal ter wereld is en de Phrygiërs in ieder geval ouder en eerbiedwaardiger zijn dan de Egyptenaren. Of de twee arme kinderen hun hele leven verder zijn blijven mekkeren op zijn Grieks vertelt de geschiedenis niet. Ze zullen zich wel met meer moeite dan normaal met spraak opgevoede kinderen een taal eigen hebben kunnen maken. Herodotus meldt nog dat een andere versie van dit βεκóς-verhaal vertelt dat de kinderen werden opgetrokken door enkele vrouwen, bij wie de tong was uitgesneden.
Tot zover een stokoud, gebrekkig mondeling onderzoek. Veel betrouwbaarder en belangwekkender worden woorden natuurlijk als ze worden opgeschreven. Spreken is woorden wegblazen, maar schrijven is vastleggen, vasthouden, met het enkele nadeel dat de uitspraak in de lucht komt te hangen. Hoe hebben dode talen als het klassieke Latijn en Grieks geklonken? De Egyptische hieroglyphen dan? Het schrijven is natuurlijk de nummer èèn vondst in alle eeuwen der eeuwen. Dat geldt ook voor het lezen. En helemaal voor het vastleggen van stemmen op geluidsdragers sinds ongeveer anderhalve eeuw: wasrol, schellak, magneetband, CD, computer. Het lijkt erop, dat we er steeds meer in slagen het verleden in geluiden, maar ook in beelden vast te houden, totdat toch de tand des tijds gaat toeslaan. Boeken verschimmelen, verbranden, worden opgevreten door insecten, schijfjes verliezen kwaliteit en celluloid verpulvert. Pantarhei is het laatste woord: alles stroomt weg, als water door een mand en als zand door onze vingers. Niets is blijvend.
Op goed geluk heb ik deze, mijn overpeinzingen samengevat in onderstaand gedicht.
     

                        BUNTER

Poëzij A

Een woord

Een woord is niet meer dan wind,
Uitgeluisterd uit diepe stilte en
Voorzichtig aangezogen
Met de getuite lippen
Van de letter W
En weggeblazen als een zeepbel vol klank.
Waarom, Warum, Why
Wat, Wa, What, Was
 Wie How Hoe Wie daan
Waar Where Wo
Wanneer When Wann ?????
Het woord is zelf ook een woord.
Wieso? Een W-oord vol betekenis, contact, kennis en herinnering!
Onvoorstelbaar fantastisch, toch.


B.

Bölles Bunter in ut Wèld Weste II



Uren en kilometers
hoog in de lucht


Zaterdag 13 mei 2000, 06.49 tien voor zeven. Maastricht/Aachen Airport, Gate B op gifblauwe stoeltjes.

Geen koffie, niet ontbeten, wat een boerenbedoening is dat hier in 

Beek.

Geen tax free open. Foei, foei, maar wat belangrijk is: onze grote trek is begonnen. Overigens in een witte Mercedes met een exotische chauffeur, die eerst in de onderste Vinkenstraat aankwam, maar gelukkig onze huisdeur wist te vinden. Het is wel druk hier want om 07.20 uur vertrekken nog twee vluchten, één naar München en één naar Londen Stansted. Om 7.10 uur is boarden. Dus nog een kwartiertje (6.55).
7.40 uur. We zijn net opgestegen, ongeveer een kwartier te laat. Hopelijk geen bumpy flight, duurt 40 minuten.

Schiphol

Schiphol Gate F9 10.10 uur. Om precies 8.05 uur zijn we 

geland op Schiphol met die kleine kist van KLM Exel.

Zeker niet meer dan 50 mensen aan boord en +- 25 rijen van 4 stoelen. Echt klein, maar niet krap qua zitruimte. We hadden een zeer fijne vlucht, een zeer soepele opstijg, niet erg hoog, maar vanwege de ochtendnevel konden we toch weinig zien op de grond. We hadden maar een echte ‘bump’, vlak voor hij begon te landen. Een vrij plotselinge bocht en daarin een schok. Ook het uitgooien van het landingsgestel voelde ik onder mijn voeten. We hebben niet meer dan een half uur gevlogen, opstijgen en landen inbegrepen. 7.35 – 8.05 uur. We moeten nu door de security (10.18 uur).

17.38 uur. Nederlandse tijd. Toch nog om ½ 12 opgestegen! Het zag er niet naar uit achter de security, want iedereen stond op en begon te dringen naar de boarding gate. De bemanning en de stewardessen konden er bijna niet door en ook die ene moeder met kinderwagen die voorrang kreeg.

Slurf

 Gelukkig bleek in de slurf dat er een aftakking was naar het 

achterste deel

van de machine, zodat het instappen toch nog snel ging. We vliegen nu al ongeveer 5 uur en zijn net van.( nog 3455 km!) (zegt het vluchtschema net). Een hele tijd gaat het nu al over de Hudson baai. Het is totaal onbewolkt en beneden is een grote, grote ijsvlakte met grote barsten van donker water erdoor. Een fascinerend gezicht. We vlogen ook over de Schotse hooglanden, over Groenland, een grote blok ijs. Buiten dit vliegtuig is de temperatuur – 49◦ Celsius, onvoorstelbaar koud. Churchill heet de plaats, waar we nu boven zijn, maar ik zie nog steeds enkel ijs. Vlak achter de vleugel links zitten we en we hebben pas van plaats gewisseld, zodat ik nu aan het raampje mag. De derde stoel in ons vliegtuigrijtje (nog 4.20 uur vliegen) wordt bezet door en jonge , Chinese vrouw, die niet erg lekker is en al een keer in het kotszakje moest spugen. Gelukkig was ik toen net weg. We zijn nu net weer boven land en geen nu naar het zuiden, want beneden hier is het hier nog superijzig en wit.

Toendra

 IJzige toendra met bossen en meren. Het landschap ziet eruit als door dikke meteoren getroffen: de meren en ronde meertjes  als putten in de bodem. Onherbergzaam. Nu wordt de bodem donkerder, al blijven de meertjes nog als witte rondjes bevroren uitzien. Ja, ik zie het eerste smeltende meertje en de zon in het water blikkeren, prachtig. Ook zie ik riviertjes kronkelen. Nu een hele brede rivier als een los neergegooid lint kronkelen. De Wagner-opera ‘Siegfried’ op mijn oren (nog 2435 km en het is nu 9.52 uur in LA). We hebben Richard Little gezien als film. Ook een andere film Galaxy Quest. Eten en drinken: appelsap, witte wijn, Chinees rundvlees met (nog 2338 km of 3.15 uur) (Nog steeds boven Canada ter hoogte van Calgary. 19.00 uur Nederlandse tijd. Verwachte aankomsttijd nu 13.13 uur op de 13e. Zo!!

BUNTER

Bölles Bunter in ut Wèld Weste I

Amsterdam - Los Angeles – Denver – LosAngeles - Amsterdam


Dat

soort 

dingen


Vrijdag 12 mei 2000, de dag voor vertrek, 11.30 uur, study in S.
Met de laatste rommeltjes en pakkerijtjes zijn we bezig. Het weer is hier drukkend en vochtig met temperaturen tot 25 ◦ Celsius. Boeken, opschrijfboekjes, toilettas, dat soort dingen. Hopelijk wordt dit een leuk van dag tot dag reisverslag van onze eerste grote reis. Drie weken in het wilde westen blijft een simpele  kattensprong vergeleken met de Beagle Voyage van Charles Darwin in 1835* of daaromtrent. Ik ga verder rommelen. Allemaal kleine dingen, maar nog genoeg te doen.

 * Van Devonport op dinsdag 27 december 1831 tot terug in Falmouth op zondag 2 oktober 1836, om heel exact te zijn.

BUNTER


woensdag 31 december 2014

De Waerelt volgens Bunter XL




Veel zalige Snipsel

voor iedereen in 2015







Dag oud jaar, dag 2014.
 “Adieu oud jaar, het valt niet zwaar te scheiden”, luidt de aanhef van een oudejaarsgedicht uit een van de oorlogsjaren 1940-1945, toen in heel Europa het licht uitging, de kou bitter werd en de honger zich overal invrat. Mijn moedertje zaliger placht het deels te citeren, zoals ze ook vaak verbijsterd uitriep: “Heer, geef licht in deze donkere dagen”, haar handen omhoog gestoken. In de bijna laatste goede krant van Nederland noemt Bert Wagendorp 2014 impliciet het jaar van de duistere vorsten van de absolute waarheden en de simpele werkelijkheden. Een paar van zijn collega’s zien het oud jaar veel liever als “het jaar van de billen”. Al proberen ze hun besmuikt en geil geginnegap te rechtvaardigen met fotootjes uit een andere wereld, nooit werd naar mijn smaak een plank verder misgeslagen.
2014 was het jaar van de vallende vliegtuigen met de onheilspellende codes: eerst  op 8 maart MH370 (239 passagiers), misschien ten westen van de Australische kust, maar nog steeds niet gevonden, toen op 17 juli MH17 uit de lucht geschoten boven Oekraïne met 298 mensen aan boord. En tenslotte QZ8501 die met 162 mensen aan boord op zondag 28 december j.l. boven de Javazee tussen Surabaya en Singapore van de radar verdween en na enkele dagen in ondiep water werd gevonden. Het is altijd mijn angst als ik weer eens over dat enorme water naar het westen wil vliegen: als we maar niet in zee storten. Toch ben ik in januari, februari, november en december in totaal 4 keer overgevlogen. Telkens turen naar dat landkaartje op het stoelschermpje naar dat witte speelgoedvliegtuigje.
Voeg bij dit onheil de opzettelijke wreedheden en de oorlogsellende in het Nabije Oosten en je gaat je afvragen wat dat voor mensen zijn die 2014 uitroepen tot het jaar van de kont en de billen. Hebben ze soms hun eigen blote kont nog nooit gezien of die van hun partner of hun kinderen? In welke dimensie leven ze eigenlijk?
Mijn 2014 was van Heleen. Op vrijdag 20 juni kwam ze in Saarbrücken ter wereld als mijn zevende kleinkind. Haar trotse moeder houdt me wekelijks op de hoogte van haar vorderingen als klein mensje via Google+-foto’s en mijn jongste zoon, haar vader, zag in alle drukte in augustus kans zijn dissertatie aan de Universiteit van Saarland in Saarbrücken succesvol af te ronden met een uiterst rielekst ‘Rigorosum’. Bovendien verhuisde het jonge gezin in november naar een prachtig nieuwbouwhuis.
Mijn 2014 was ook van de drie jonge wespenkoninginnen, die ik op mijn zolder vanaf september op verschillende plekjes, totaal verstard en verdroogd, aantrof en door het zolderraam naar buiten gooide. Deze forse dieren kunnen bij de goede temperatuur wakker worden, maar zijn niet aggressief, omdat hun angel is omgebouwd tot legboor en hun gifzakje tot sperma-reservetankje, waardoor ze niet kunnen steken. Ik verwacht meer rupsen in mijn tuin komend voorjaar, want ik ga ervan uit dat de drie insectenvorstinnen met het achterlijf vol wespeneitjes niet alle drie de kwakkelwinter zullen overleven en aan een wespennest zullen toekomen. Rupsenballetjes is het favoriete voer in een wespenkolonie in opbouw.
En ook van de vele tientallen bloembolletjes die ik op Texel in een bollenschuur, goedkoop en meteen van het veld, kon meenemen. Mijn tuin wordt een paradijs en ik hoef er niet eens een bomgordel voor om te doen.
Mijn 2014 was in de allerlaatste echt donkere dagen het jaar van een griezelige buikgriep, die op tweede kerstdag uit het volkomen niets in een fractie van een seconde toesloeg. Ik kreeg een stukje kalkoen in een heerlijk cognacsausje op mijn bordje als afsluiting van het feest. Absoluut geen watertanden, maar alsof een bijbels donderende stem uit de hoogte tegen me riep "Eet dit niet, bah, walgelijk". Op slag werd mijn maag een steen, draaisde zich schurend om en ik begon zowaar te kokhalzen. Er kroop een ijzige rilkouide door me heen, mijn darmen voelden aan als een zak vol vuilwe was in mijn onderlijf en voor ik het wist trad de grote zuivering in: drie dagen braken en waterdunnen diarree bij de minste gedachte of confrontatie met eten of drinken. De eerste nacht ben ik met paracetamol doorgekomen en een plastic emmer  naast mijn bed. Als ik me omdraaide op mijn andere zij, begon mijn hele spijsverteringskanaal te protesteren en te kraken. Zo ben ik twee dagen lang, steeds slapper wordende, bed in bed uit gekropen, naar de emmer of de toilet, af en toe een slokje water drinkend. Toen heb ik in drie uur tijd vier tabletten diareestopper geslikt en langzaam kalmeerden mijn fundamenten. Gelukkig geen koorts, maar wel veel koude rillingen.
Pas de dag voor oud jaar kwam ik terug in het leven en het eerste wat ik me afvroeg: als ik me van een simpel buikgriepje al zo ellendig voel, hoe moeten al die duizenden Ebola-zieken zich voelen? 2014 was ook het jaar van Ebola.
Ik ben zeer dankbaar, dat op Oudejaarsdag mij het volgende gevoel doortrok, dat ik hier wil delen in de taal, waarin het oorspronkelijk opgeschreven en omschreven is in de herfst van 1886 in de Italiaanse plaats Ruta bij Genua. Hou je vast, komt-ie:
"Dies ganze Buch ist eben nichts als eine Lustbarkeit nach langer Entbehrung und Ohnmacht, das Frohlocken der wiederkehrenden Kraft, des neu erwachten Glaubens an ein Morgen und Übermorgen, des plötzlichen Gefühls und Vorgefühls von Zukunft, von nahen Abenteuern, von wieder offnen Meeren, von wieder erlaubten, wieder geglaubten Zielen." Ik wens alle Ebola-slachtoffers dat gevoel toe, wanneer ze allemaal geheel hersteld zijn. Want wat heeft de schrijver van dit citaat doorstaan:
"Und was lag nunmehr alles hinter mir! Dieses Stück Wüste, Erschöpfung, Unglaube, Vereisung mitten in der Jugend, dieses eingeschaltete Greisentum an unrechter Stelle, diese Tyrannei des Schmerzes, () diese radikale Vereinsamung als Notwehr gegen eine krankhaft hellseherisch gewordene Menschenverachtung, diese grundsätzliche Einschränkung auf das Bittere, Herbe, wehe Tuende der Erkenntnis, wie sie der Ekel verordnete, der aus einer unvorsichtigen geistigen Diät und Verwöhnung - man heisst sie Romantik - allmählich gewachsen war - , oh wer mir das alles nachfühlen könnte."
De Duitse filosoof  en classicus Friedrich Nietzsche schildert hier zijn eigen lijden, geestelijk, maar met een lichamelijke basis, waaraan hij in 1900  uiteindelijk bezweek. Hij kijkt niet op een regel bij het uitsmeren van zijn ronkende zinnen in het tweede voorwoord bij zijn boek dat nota bene "Die fröhliche Wissenschaft" als titel draagt. "Aber lassen wir Herrn Nietzsche! Was geht es uns an dass Herr Nietzsche wieder gesund wurde...?", zegt hij zelf met vrolijke zelfspot een pagina verder.
Het zal niemand verbazen, dat deze referentie voor mij opgesloten blijft in het jaar 2014, het oude, afgeleefde jaar.      



Mijn wens voor 2015: met meisje Maria wil ik hier “Deposuit potentes de sede et exaltavit humiles. Esurientes implevit bonis et divites dimisit inanes.” “Hij stootte machtigen van hun zetel, en nederigen heeft Hij verheven. Hongerigen heeft Hij met gaven vervuld, en rijken heeft Hij leeg weggezonden.” zingen. Een prachttekst uit het eerste hoofdstuk van Lucas’ evangelie, die in deze wereld te weinig gehoord wordt.


En verder wens ik iedereen voor 2015 “väöl tuute snipsel”. De uitdrukking “un tuut snipsel” gaat terug op mijn vader zaliger in de zonnige jaren vijftig van de vorige eeuw. Hij bracht voor zijn kinderen geregeld een forse doos koekjesafval mee, afkomstig van een Maastrichtse ijswafeltjes en koekjesfabriek, die in mijn herinnering La Maestrichteoise of Maastrichtoise heette. Een verrukkelijke mix van snippers of brokstukjes van wafeltjes, gesuikerde waaiertjes, koekjes en wat al niet meer, die hij voor ons in grote puntzakken van krantenpapier deed. Trots gingen wij in een groepje daarmee de straat op om onze buurkinderen een beetje de ogen uit te steken en heel af en toe ook te laten meesnoepen. De koekfabriek was een van vaders vaste klanten, waar het ging om kantoorartikelen van ver voor het tijdvak van beeldscherm en computer en boekhoudsysteem. Zo handelde hij ook periodiek met enkele fruitkratten doorgedraaide appels van de Venlose fruitveilingen. Ook een klant, die hem graag een paar kilo volkomen gaaf, doorgedraaid fruit liet meenemen voor de kinderen. Appels en snipsel staat voor mij voor totaal zorgeloos kindergeluk. Dat wens ik dus iedereen hier. Tot in het Midden-Oosten toe en het diepste van de woestijnen.


Wat origineel, denkt nu iedereen, hoop ik, maar elke uitdrukking heeft zijn context. De term ‘snipsel’ komt uit het Duits, waar men van Schnipsel spreekt om een papiersnipper of papiersnippers aan te duiden. En een tractatie van koekjesafval uit Maastricht was al in de jaren dertig van de vorige eeuw bekend in Elsloo, getuige dit citaat dat ik op Internet vond op een aan regionale historie gewijde rubriek. “Een ander bekend winkeltje was dat van Marie-Catharien Botti aan de Raadhuisstraat. Marie-Catharien werd ook de "Broktant" of het "Brokvrouwtje genoemd. () Haar specialiteiten waren haringen en "brok". Op vrijdag -vastendag- verkocht ze haringen die ze zelf inmaakte en die bijzonder lekker smaakten. De grootste trekpleister, voor de jeugd althans, was de "brok". Dit was het afval van voornamelijk ijswafeltjes die stukgingen tijdens het productieproces in de Victoria-koekjesfabriek in Maastricht. Lang ging Marie-Catharien te voet naar Maastricht om een grote zak van deze "brok" te halen. Van oude kranten, die ze nauwkeurig in stukken sneed, plakte ze postzakken in twee maten. Op zondagmorgen was er een drukte van belang want dan werd de "zondagscent" of ook wel de cent die bestemd was voor de schaalcollecte in de zondagsmis omgezet in een postzak met "brok" van 1 cent of 2 1/2 cent.”


“Implevit bonis”, dus met appels en snipsel, al kende ik die tekst natuurlijk niet tussen mijn vierde en elfde jaar. En wat verwacht ik van 2015? Ik hoop dat uitgeverij Bert Bakker uit Amsterdam kans ziet de nog resterende delen van de prachtserie ‘Geschiedenis van de Nederlandse literatuur’ af te ronden. Komend jaar duik ik ettelijke maanden onder in deel 3, “Het gevleugelde woord” (1400 – 1560) van de bekende Amsterdamse middeleeuwer Herman Pley. De twee delen daarna tot 1800 liggen ook al klaar en van mijn boekhandelaar heb ik begrepen dat het daarbij blijft, terwijl net de negentiende eeuw mijn lievelingseeuw is. Mijn wens en tegelijk dringend verzoek aan schrijvers en uitgever is daarom. Gaat U astublieft door, beste mensen, laat me niet ergens in de pruikentijd aan mijn lot over. Neem gerust wat snipsel! Het helpt.
BUNTER