Posts tonen met het label egodocument. Alle posts tonen
Posts tonen met het label egodocument. Alle posts tonen

zondag 20 mei 2012

De Waerelt volgens Bunter XXXII



De Luierman:
een ijskoud maar
onsterfelijk lied

Laatst heb ik als lid van een klein gelegenheidskoor een Gregoriaanse uitvaart aan de rand van het arrogante stadje S. gezongen. Bij wijze van afscheid van een gerespecteerde, oudere kennis. Er gaat voor mijn gevoel niets boven een Gregoriaans gezongen uitvaart. Iets korter geleden mocht in een andere koorsamenstelling een uitvaart zingen in de oudste kerk van Nederland. Terwijl de toeristen, zich vergapend aan architectuur, beelden en atmosfeer, bleven rondtrekken in de kerk, was er in een van de dwarsbeuken van de kerk een kleine uitvaart van mevr. P. Ook haar dode lichaam hebben we goede wensen toegezongen: eeuwige rust en opgang naar de hemelse paradijzen aan de hand van engelen en verwelkomd door martelaren onder engelengezang. Een van de toeristen kwam na afloop op de dirigent/organist van ons koortje af met de mededeling dat hijzelf ook wel eens een Ave Maria of zo zong tijdens een uitvaart, maar dat het Gregoriaans hem toch ook erg mooi voorkwam. Het werd niet duidelijk of hij zich als adspirant-koorlid stante pede wilde aanmelden, maar hij was als toevallige passant erg geroerd. Zoveel was duidelijk. Waarschijnlijk was het een Limburgs compliment, met enige omwegen aan ons aangeboden.

IJskoude bloemen: symbool van de Winterreise 


Terug naar het burgerlijke S., naar de uitvaart, waarvan in de eerste plaats sprake was. Wij stonden daar met ruim een dozijn oudere mannen klaar om het intredelied (Introitus, voor de mensen van vóór Vaticanum II, u weet wel, dat concilie van J. XXIII) aan te heffen, toen mijn oor getroffen werd door de begeleidingsmuziek van Schuberts ‘Winterreise’ in het bijzonder het slotlied, nummer 24, dat de titel draagt ‘Der Leiermann’, de buikorgelman, de draailierspeler. Een pianist, geheel opzij van het altaar, speelde het als opvulmuziek in de kerk.
Dit is de tekst van het lied:

      Der Leiermann  24
Drüben hinterm Dorfe
Steht ein Leiermann
Und mit starren Fingern
Dreht er was er kann.

Barfuß auf dem Eise
Wankt er hin und her
Und sein kleiner Teller
Bleibt ihm immer leer.

Keiner mag ihn hören,
Keiner sieht ihn an,
Und die Hunde knurren
Um den alten Mann.

Und er läßt es gehen,
Alles wie es will,
Dreht, und seine Leier
Steht ihm nimmer still.

Wunderlicher Alter !
Soll ich mit dir geh'n ?
Willst zu meinen Liedern
Deine Leier dreh'n ?


Daar staat hij dan, de Luierman, met knurrende Hund

De onsterfelijke muziek van deze liedreeks ‘Winterreise’ is door Franz Schubert (31-1-1797---19-11-1828) gecomponeerd. De tekst wordt gevormd door gedichten van Wilhelm Müller (1794-1827). De moderne exegese van deze gedichtenreeks over een jongeman, die uit het huis van zijn geliefde geschopt wordt en in een strenge winter over de Noord-Duitse laagvlakte gaat zwerven, beschouwt dit laatste gedicht van ‘Winterreise’ als fatale afsluiting van de ijskoude ‘Reise’. De verstoten zwerfzanger komt eindelijk een begeleider tegen die in dezelfde positie verkeert als hijzelf. Hij heeft al 23 van Müllers depressieve dichtsels voorgedragen, gedragen door Schuberts onsterfelijke melodieën en heeft nog steeds geen deugdelijk onderdak of een gastvrije ontvangst gekregen. En deze buikorgelspeler? Lees zelf maar:
Aan de rand van een dorp staat de draailierder te draaien wat hij kan, met blote voeten op het ijs. Maar zijn schoteltje blijft leeg. Niemand hoort hem graag, geen mens kijkt naar hem om. De honden grommen tegen hem. Hij laat alles lopen en toch blijft hij maar doordraaien aan die lier, een ouderwets soort buikmuziekdoos. De zanger, die nog nergens een mooie, jonge vrouw in zwijm kon zingen, herkent zich daarin en vraagt: “Hé, rare ouwe, als we ons nu eens samengooien: jij met je lier en ik met me liedjes. Volgens mij komt het dan helemaal goed, niet?” Ik vertaal het wat vrij en modern, maar ik kan in deze scène absoluut geen ontmoeting met Magere Hein zien. Ook geen weergave van een scène uit de befaamde Dodendans, waarbij Magere Hein alle overleden rangen en standen van de middeleeuwse maatschappij ten dans noodt richting hel of hemel. Ik prefereer een letterlijke benadering van dit laatste Winterreisetafereel. Ik zie een oude man op blote voeten, heen en weer schommelend op zijn benen om niet vast te vriezen. Geen cent te makken, lastig gevallen door grote honden, totaal incontinent en daarom ook uitgestoten, maar wel totaal verslaafd aan goddelijke muziek, zoals die van Schubert. De muziek houdt hem in al zijn armoede en lichamelijke aftakeling op de been. En Goddank, daar komt een zanger in soortgelijke Umstände, Ik weet echt zeker dat die Luierman, ja zo wil ik hem nu noemen, meteen ja heeft gezegd op de vraag van de gedeprimeerde zangert, die net als de orgelman door iedereen gemeden wordt, terwijl hij prachtige liederen zingt. De Luierman gaat niet over doodvriezen of de hongerdood tegemoet gaan. Nummer 24, Winterreise gaat over overleven, doorhouden, ondanks alle ellende, maar vooral dankzij de onsterfelijke muziek van Franz Peter Schubert. Het gaat over de magische kracht van muziek. In deze interpretatie is nr. 24 Winterreise bij uitstek een lied voor een uitvaart. Zo zal het ook bedoeld zijn, dat de overledene aan het slot van de uitvaart op CD of geluidsband nog zelf enkele liederen zong, al vond ik het enigszins macaber.

Franz Peter Schubert
Franz von Schober
Schubert zelf stierf in november 1828 op 33-jarige leeftijd aan buiktyfus. Winterreise was een van zijn allerlaatste composities. Het is overgeleverd dat de bedeesde Schubert, zijn hele leven vrijgezel, ooit één keer door zijn ‘vriend’ Franz von Schober in een dolle bui is overgehaald om met hem in Wenen ‘naar de meisjes’ te gaan. Begein jaren twintig van de negentiende eeuw Daar heeft de componist syfilis opgelopen en dat resulteerde in een zo’n dramatische terugval van zijn algemene weerstand dat de eerste de beste buiktyfusbacil hem kon vellen. Maar niet voordat hij in staat was in zijn voorlaatste jaar nog onsterfelijk mooie liederen te componeren. Ik kan dus met een gerust hart zeggen dat Schubert voor mij nog leeft. En dat geldt ook voor Mozart, Bach, Beethoven, Haydn, Handl en noem ze allemaal maar op uit die gedenkwaardige tijd. Een terechte tirade tegen wat men vandaag de dag als muziek ervaart, blijft hier daarom alleen al achterwege. Is nergens voor nodig. Als een griepje in de lente: gaat vanzelf over, als je maar lekker in je bed blijft met radio 4 aan. Truste iedereen!!
BUNTER                    

zaterdag 25 april 2009

Chinees Dagboek, deel XXV


Chinees Dagboek, deel XXV,

(zhōng)(guó) ()()()(èr)(shí)()()(fen)



Met Bunter naar Beijing XXV




Pavarotti mocht niet zingen!



星期六,zaterdag nog steeds, 15.30 uur Beijing time,

In de lucht met Lufthansa, ergens boven Zuid-Rusland.

Was ik me daar bijna doorgebroken in Polen. Aan boord van deze Jumbo-jet raken Ernst en ik aan de praat met en aantal Poolse mannen van onze leeftijd. Al gauw zingen we samen ‘Ein Prosit der Gemütlichkeit’ en ‘Beij mien grameer op ut stupke’ enz. En tenslotte ‘Nessun dorma’. Dan grijpt Frau Busch/Kroll van de Lufthansa in, na het tweede couplet, precies als ik op weg wil naar het all’alba vincero. Sie singen wunderbar, zegt ze, maar er hebben mensen geklaagd. Weer van die ouwe zeiktrutten natuurlijk, die niet kunnen uitstaan met hun (…… ingreep van de censor) dat de mannen plezier hebben onder elkaar!! Bah. Mar met die paar zangregels ben ik voor de Polen wel Pavarotti!





Het is allemaal om je op te kloten, maar het blijft leuk, maar anderen hebben meer remmingen en inhibities. Ik stop natuurlijk. Straks maken ze nog een extra tussenlanding om mij aan de grond te zetten en te lozen. Ik repliceer Frau Busch dus met deze woorden: “Wo man singt da lass dich nieder; böse Menschen haben keine Lieder.” Zo.

En nu over vrijdag. Het is zwaarbewolkt en regenachtig in beijing als we op weg gaan naar het Zomerpaleis van de Ming- en de Qing-keizers vanaf 1750. Een prachtig complex met woonvertrekken, hofjes, tuinen, historisxche vergader- en verdragsplaatsen, een eigen Jingju-operatheater en ja, ook een lange gang langs de kust van een heel groot meer. (Lange gaank, apotheker, diarree, moeder, klein wanhopig jongetje enz.).

Aan het begin staan de meeste keizerlijke gebouwen in hofjesvorm. Dan komt er een grote tuin op een heuvel. En in het midden daarvan een heel grote paleistoren met prachtig Chinees dak. Omdat in 2008 de O. Spelen in Beijing zijn, worden zowel de lange corridor als het hoofdgebouw opgeknapt. Het staat allemaal in de steigers en er wordt stevig aan gewerkt. Jammer, maar we kunnen nog doorlopen naar het Stenen/Marmeren Schip van de laatste grote Keizerin/Weduwe Cīxì (Tsiessie). Zij had in het Zomerpaleis lange tijd haar hoofdkwartier. Achter die niet varende boot gaan we thee en koffie drinken op een balkon.

BUNTER


Nota Bene: Dit is echt de voorlaatste aflevering van ons Chinees avontuur in 2006. Over enkele dagen verschijnt hier nog de laatste aflevering met de thuisreis en nog meer details over de laatste dag in 北京。Ik neem aan dat iedereen intussen weet dat hier Beijing staat. MAAR DE AVONTUREN VAN BUNTER GAAN DOOR. NA CHINA VOLGT EEN VEEL; RECENTERE REIS NAAR DE TROPISCHE REGENWOUDEN VAN COSTA RICA EN DE INHEEMSE INDIANEN ALDAAR. NIET TE VERSMADENB VOOR ELKE RECHTGEAARDE REIZIGER: BUNTER IN DE TROPEN. Zo ga ik binnnenkort verder.

B.

vrijdag 17 april 2009

Chinees Dagboek, deel XXIV

Chinees Dagboek, deel XXIV, 中(zhōng)国(guó) 日(rì)记(jì),第(dì)二(èr)十(shí)四(sì)部(bù)分(fen)

Met Bunter naar Beijing XXIV






Zomerpaleis, Lama-tempel en
hutong in een propvolle dag







二〇〇六年五月十二日星期五00.00 uur Vrijdag 12 mei Of 二〇〇六年五月十三日星期六 00.00 uur Zaterdag 13 mei 北京, Beijing, Sanyuan Jinan Hotel
Vandaag of eigenlijk gisteren al hebben we een propvolle dag gehad. Om ½9 vertrokken zijn we naar de naar de Noord-West-hoek van B. gereden door de ochtendspits heen en door de universiteitswijk heen naar het Zomerpaleis van de Ming- en de Qing-dynastie.

Foto: De grote Poort van de Scheidende Wolken midden op het terrein van het Zomerpaleis.

Vandaar gaan lunchen in een viersterrenhotel in een aparte kamer achter een grote zaal bomvol lawaaierige Chinezen*. Vervolgens: Lama-tempel en Hutong (Mongools voor waterput), die tegenvielen.
Foto: Hutong, een oeroude volksbuurt.
Foto: Met een soort riksja's door de hutong


En dan ook nog te laat(18.30) in het hotel. Na 5 minuten door naar een acrobatenshow en daarna ‘slotdiner’ in een kwakerig Chinees Restaurant. Thuis, vanavond hoop ik er meer over te schrijven. 00.10 uur.
BUNTER


Foto: een brug, een pagode, luxe torens, hofjes, een lange overdekte gang, bos, beplanting en dat alles langs het grote Kunming-meer, zo ziet het Zomerpaleis eruit

* ‘ Lawaaierige Chinezen’, en ook ‘kwakerig’ zo heb ik het na een uitputtende dag snel opgeschreven in een korte notitie die eigenlijk bedoeld was om een soort puntenlijstje te maken voor een wat uitgebreidere beschrijving van onze laatste dag in de hoofdstad van het Noorden. Zoals iedereen al gelezen heeft in de rest van het dagboek ben ik gewend 'Chinese mensen’ te schrijven als algemene aanduiding van het Chinese volk of mensen die we tegenkomen, bewoners en burgers van dit enorme land. Ik vind ‘Chinezen’ heel erg geringschattend neerbuigend, ja bijna koloniaal en misschien zelfs wel racistisch klinken. Toch is het zo uit mijn vulpen gelopen met de groenblauwe inkt. Ik wil hier uitdrukkelijk laten weten dat het niet zo bedoeld is als het misschien klinkt. De taal in Beijing wordt nu eenmaal heel hard uitgesproken. Daar staan de 北京人 (de Beijing mensen) in alle uithoeken van China om bekend en bovendien is het voeren van zeer geanimeerde gesprekken tijdens maaltijden een gebruik, een gewoonte, waar alle 中国人 (De China mensen)in alle milieus en op alle plaatsen zeer veel plezier aan beleven. En voor alle duidelijkheid: van mij mogen ze, echt hoor, voor zover ik daar ook maar een ietsje over te zeggen zou hebben. Te schrijven wel, te zeggen: nada de nada.
B.

zaterdag 28 maart 2009

Chinees Dagboek, deel XXIII

Chinees Dagboek, deel XXIII

(zhōng)(guó) ()()()(èr)(shí)(san1)()()(fen)


Met Bunter naar Beijing XXIII



















Het ergste Chinese woord,

in de opera, de verboden stad en op

de C H A N G CHENG




二〇〇六 (het nian2-karakter vergeten in het manuscript!)五月十一日星期四


Donderdag 11 mei 2006 Beijing, Sanyuan Jinan Hotel 21.55 uur

Ooststraat no 6, bij Beijing Railway Station, Dongcheng-district.

We zijn net terug van de fameuze jingyu: de Beijingju (gecorrigeerd: ‘yu’ is fout) oftewel de Peking Opera. Samen met Ernst en Mariska heen geweest om half acht begonnen in het oude theatertje Hu Guang Guild Hall op een half uurtje taxiën van ons hotel. De Beijingju (corr.) is een bijzondere ervaring. De context van de ‘opera’ is een theehuis. We zitten precies midden voor aan het beste tafeltje samen met twee andere Chinese mensen. Er staat een theepot met lichte thee op tafel, mango-koekjes, verpakt, geconfijte dadels, verse halve aardbeien met prikkers erbij en harde gesuikerde pinda’s


Foto: decor en sfeer van de jingju

We gaan in de lichte regen met gids Frank op pad. Hij zit bij ons in de wagen en prompt rijdt dan ook de taxi van M. en E. een forse blok te ver. Gelukkig heeft Wybe ons de plek en het theater gewezen, toen we Beijing zo moeilijk binnenkwamen. M + E lopen terug en zijn maar 10 seconden te laat. Het spektakel is net begonnen. Wij stoppen wel op de goede plek, maar vlak voordat we uitstappen hangt er in het donker een bakfiets tegen de achterbumper van de auto. Niks aan de hand, geen deukje te zien. Wel effe schrik in de wagen. De Hu Guang is een authentiek oud theatertje, waar misschien 500 mensen in kunnen , als je de twee balkons meerekent. Op weg naar de Opera check ik nog even Bakker Leegstra’s Chinese scheldwoord af bij Frank: jibèh (dzjiepèh); Frank slaat van schrik zijn hand voor zijn mond en begint vervolgens onbedaarlijk te lachen, voor in de taxi. Het is het ergste woord, dat je tegen iemand kunt zeggen, zegt hij lachend. Albert Bakker Leegstra vertaalde het met ‘klootzak’.

Het Hu Guang is niet groot, maar wel fraai in blauw, groen en goud beschilderd rondom. We zitten helmaal vooraan en kunnen de boventiteling in gebrekkig Engels niet goed zien. Men presenteert ons in de persoon van (beter: bij monde van) een lang, slank in rood gekleed meisje twee stukjes die elk een half uurtje duren. Het eerste is: “de koning neemt afscheid van zijn favoriete concubine Yuji (Juudzjie)” en het tweede heet: “De Apenkoning Sun Kong leent een palmwaaier.”


Foto: De concubine van de keizer


Er zit nauwelijks verhaal en nauwelijks dramatische ontwikkeling in de stukjes . De bühne, omgeven door een 50 cm hoog, roodgeschilderd hekje, is volgehangen met grote kleurige lappen (geel met draken en bloemen) met links en rechts een soort doorgang in de achterwand, waardoor de figuren op- en afgaan. Met opvallende, maar nog onbekende karakters (goud op een zwart bord) ( onleesbaar) aangegeven waarom het gaat. Ik kan ze niet helemaal thuis brengen, maar zouden ze zoiets triviaals als in- en uitgang kunnen betekenen? Nu is dat 出口 en 入口, (uit- en ingang), maar hier zie ik dus staan:




In het eerste stuk zien we de concubine Yuji die door de koning (zwart-wit geschilderd met lange zwarte baard) weggestuurd wordt omdat een grote horde Han - soldaten voor de deur staat. De vrouw smeekt de koning te mogen blijven – ik hoor steeds ‘taaj wang, qing’ zingen en zeggen door haar en dat is: ‘grote koning, asjeblieft enz.’ Ze doen veel met hun ogen en met hun handen met vingeroefeningen. De koning houdt voet bij stuk en de vrouw pleegt zelfmoord. De koning is ten einde raad en de concubine ook, maar het kom zeer gestileerd en stijf


Zo heb ik de beide karakters van het decor van de jingju in mijn dagboek gecopieerd.


over. Het tweede stuk is Koning Aap Sun Kong wil een palmbladwaaier lenen. Daarin wordt minder gezongen, maar wel; een mooie zwaarddans gedaan tussen prinses en de ‘aap’. De prinses die haar waaier mist, stelt pogingen in het werk om de aapachtige , mooi rood en wit geschilderd, te straffen. Eerst de kop of de hand eraf door de dienstmeid. En dan gaat madam zelf met 2 houten zwaarden aan de slag en wint niet. De ‘aap’ is veel te gewiekst. Als de Chinese trompet inzet, wordt er meestal gezongen en verschijnen de boventitels: “I are dancing” , “.To my sings” enz. De voorstellingen zijn authentiek, maar komen qua handeling en tekst primitief op mij over.


Foto: het plein bij de poort van de Hemelse Vrede: enorm.


Ik moet hier nu nog onze aankomst in B. verhalen, het bezoek aan de tempel van de hemel en de Verboden Stad. Welnu: (pauze 22.30 tot 23.10). We komen in B. aan op perron 1 bij uitgang 2 en de gids staat er niet. Hij staat buiten bij de uitgang en we moeten het hele station nog doorcrossen om hem te vinden na enig heen en weer getelefoneer.* Frank, zo is zijn niet-Chinese naam, heeft ook geen bus gereed. Duurt nog 20 minuten, zegt hij. Precies 36 minuten hebebn we staan te schilderen met onze koffers in een stofstormpje bij de uitgang. Het verkeer is ook zo druk, zegt hij eerst. Als Wybe een paar keer ‘this is very bad’ heeft gezegd en Frank erg benepen kijkt, komt het verhaal, dfat de oorspronkelijke bus een aanrijding heeft gehad en er een reserve-bus moest worden ingezet. Dat blijkt als het vehikel eindelijk komt: GEEN BAGAGERUIMTE. Alle koffers, rugzakken en andere bagage moeten tussen de banken worden geperst en achterin achter de achterbank. Toch wel gemopper, waar Carla en kees het venijnigst in zijn. Bovendien zijn we aangekomen in Beijing-xī. Dat is west en ons hotel ligt vlakbij station-oost (Beijing-dòng). In en uur tijd crossen we in ons kutbusje dwars door de stad. Teleurstelling 3: het ontbijt is al bijna opgeruimd, zeker de paar Westerse dingen als BROOD. Sommigen zien het personeel resten van rijst in de grote presentatieschalen terugschuiven. Bah. We vinden onze riante kamers (allen weer zo’n klein bad en weer een hard bed) en zwermen dan uit. Alleen Christiane vindt de Starbucks, omdat Wybe niet nauwkeurig genoeg was. Wij komen in de lokale suikerbakkerlunchroom terecht. Ine heeft zo weinig geslapen en toch gaat het om 11.00 uur (in hotel om 08.00 uur) door naar de tempel van de hemel uit de vroege Ming-tijd. (1420 e.v.), waar 24 keizers tot Pu Yi toe elk jaar 2x kwamen.

Foto: De tempel van de hemel.

Om te offeren van het land en om te bidden voor een goede oogst. Het voornaamste gebouw is een grote blauwgroen geverfde 3-dakige tempel. INDEZIJLIJN: \\De Temple of Heaven is pas gerenoveerd zegt F. en pas weer opengesteld. Rond dit monument ruikt het naar verse verf en lak. Eg grappig! We komen ergens een ± 500 jaar oude Juniperus chinensis tegen: de 9-drakenboom.\\

De rituelen hier met vasten en offeren zijn reelijk ingewikkeld, maar wel wordt duidelijk, fdat een grote, ronde, platte steen de eigenlijke plek van bidden is. Direct contact met de hemel. Het hele ritueel wordt uitgelegd in een zaal in een annex gebouw. Op overdekte gaanderijen tussen de voornaamste gebouwen wordt gezongen door een verklede nep-keizer in vol ornaat (Sancta Lucia). Ik zie het Wáng-karakter voor keizer zelden in onderschriften en vraag er Frank naar. Hij zegt: wang is niet de enige aanduiding voor keizer. Mooier is (huáng)(), gele keizer. Dat zijn ze. Langzaam geeft China al zijn geheimen prijs. De Verboden Stad valt tegen, behalve de wc. We worden door Frank achter de Noordpoort gedropt aan de achterkant van het grote complex en gaan dus in de verkeerde volgorde. We dwalen eerst langs het testhuis van de concubines, een vuurstenen rots, verscheidene paviljoentjes en oeroude cypressen en z.g. filosofenbomen of scholartrees. Vanaf het palkeis van de keizerin met hemelbedden en andere soesa, besluiten we de centrale as te nemen en zo naar voren te lopen. De paleizen zijn allemaal niet open. Wel de poorten, maar de paleizen niet. We kunnen overal naar binnen gapen: veelal is er een troon te zien met vaak hetzelfde meubilair. De allergrootste paleisruimte staat van kop tot teen in de steigers, samen met omringende dingen. En zo vallen de 5 bruggen ook tegen.Mao hangt nog steeds op de muur van de Zuidpoort.

foto: De Zuidpoort met nog steeds het portret van Mao. Dit is de echte tian (hemelse) an (vrede) men (poort), waarna het hele plein genoemd is. Het is dus niet het plein van de hemelse vrede, maar het plein bij de poort van de hemelse vrede. Ik lees links van Mao op de gevel: zhong1hua2ren2min2jing3he2guo2wan4sui4, hetgeen zoveel wil zeggen als: bron van het Chinese volk en lang leven van het land. Ik hoop oprecht dat daar niet Mao mee bedoeld is, maar ik ben bang van wel.

Het tiānānmenplein is groot en lang. Het wordt ontsierd, vind ik, door Mao’s rottend lijk in een mausoleum. De lunch tussen Hemeltempel en Forbidden City zit erbij in en daarna merk ik voor het allereerst onraad in de darmen. Ik ben redelijk op tijd bij de cesuo in de ZW-hoek en krijg een zit-toilet aangewezen door een toiletbediende. Hij rukt om 5 uur mijn wc-deur open om te kunnen sluiten. Kuai, kuai, kuai, zegt hij; ik antwoord met man, man, man (langzaam). Christiane is te laat. De FC neemt om 16.00 uur geen bezoekers meer op en gaat om 17.00 uur dicht. Voor die tijd gaat alles met hekken opzij dicht. C. laat zich achterin opsluiten, neemt een taxietje bij de N-poort en komt niet op tijd. Toch vindt ze ons nog. Frank had gezegd ½6, had 5 uur moeten zijn. foto: Dit is de chang cheng, juist: de grote muur.

Vandaag het bezoek aan de Grote Muur. Het is een groot succes. Prachtig zonnig en toch koel weer. Omhoog met de kabelbaan, maar eerst ± 200 meter spitsroeden lopen tussen rommelkramen door. De muur bij Mutianyu is prachtig, slingert zich over de heuvel/berg-toppen en je moet per kabelbaan (725 meter steil omhoog in een oranje gondel voor 4-en (2 man is zat) 650 meter. Het is absoluut niet druk. De muur is niet zo hoog en vooral niet zo breed als ik gedacht had: ruim 3 meter. Hij gaat steil de heuvelkammen en bergkammen na met om de ± 100 meter een wachttoren, veel trappen en steile stukken. Op ons stuk gaat een trap van ± 450 treden steil tegen de berg op. We komen net niet tot onderaan de trap. Ik koop voor 50 een T-shirt (I climbed the Great Wall: ()(dēng)(le)(cháng)(chéng) tot woede van I. die gek wordt van het hello-geroep van de Chinese prullaria-verkopers en verkoopsters. Voor de eerste, de allereerste keer in China () hebben we een forse schermutseling (), maar mag het ook eens aan het eind van een vermoeiende dag en reis? Het was drie uur aanrijden in de bus door een vreselijke autodrukte de stad uit. Terug is korter na een fijne lunch en we zijn op tijd voor de Jingju, de Pekingopera. Morgen het Zomerpaleis en de Hutongs van B. 00.10 uur Einde, Vrijdag 12 mei.

* Het is gebruikelijk in China, dat als iemand van de trein wordt gehaald, dat dan de afhalers niet al op het perron staan te juichen, te dringen en te zwaaien, maar aan de uitgang van het stationsgebouw. Daar worden de gasten opgevangen. Een duidelijke scene van deze voor ons westerlingen zo afwijkende procedure wordt beschreven in les 24 van TEXTBOOK II van mijn Chinese cursus die NPCR (New Practical Chinese Reader) heet (zie ook Internet). Je wacht met afhalen tot treinreizigers helmaal buiten op de stoep staan.

Foto: De Chang Cheng: onvoorstelbaar

BUNTER

zaterdag 24 januari 2009

Chinees dagboek, deel XIX


Chinees dagboek, deel XIX

(zhōng)(guó) ()()()(shí)(jiǔ)()(fen)



Met Bunter op weg naar Beijing! XIX


Het stinkt erg

naar ranzige boter

in het klooster

二〇〇六年五月五四日星期五

Vrijdag 5 mei 2006, Xiahe, Gansu, China, 21.45 uur, zelfde hotel

Onze eerste actieve dag in Xiahe op 3045 meter hoogte zit erop. De duizeligheid is weg, de kortademigheid goeddeels, maar we moeten blijven drinken om ons bloed dun te houden. Ons bloed, dat nu als een gek rode bloedlichaampjes aan het bijmaken is om het zuurstoftransport op peil te houden in deze ijlere lucht. Ine’s spijsvertering is nog steeds niet op orde of beter gezegd, opnieuw een beetje ontspoord na een copieus maal gisteravond in het piepkleine hotelrestaurantje met Ernst, Mariska,Inge, Ine en ik. Ik had teveel en Ine te vettig gegeten. Het eerste is niet zo erg als het tweede. Niettemin heerlijk geslapen in de dunne luchten om 9.40 uur naar het grote Labrangklooster vertrokken voor een rondleiding.



Onder de foto: Een stokoude monnik sjravelt langs de gebedsmolens in Labrang.



De eerste indruk is dezelfde als bij vele tempels: gouden beelden, veelkleurige doeken en flakkerende lichtjes. Onze gids is monnik ‘Gentle’, zo is de vertaling van zijn naam die in het Tibetaans Jim Pa luidt.Een vriendelijke man geheel in donkerrode lappen en kleren. In de eerste tempel van alweer een Boeddha vertelt hij ons eerst over de kleurcode van de monniksdracht. De dikke donklerrode lap is voor de winter, de roze is de zomerdracht, dunner. De gele kap wordt alleen opgezet bij bidden en zingen buiten. De orde van de Gele mutsen is de strengste B.-monniksorde: geen alcohol, geen slachten om het vlees, wel vlees eten buiten de deur, geen sex, niet trouwen enz. Het stinkt in elke ruimte waar we komen naar ranzige yakboter. Dat komt omdat yakboter de olie is waarop alle lampjes, godslichtjes en bougies branden.

De tweede tempel is die van de Wisdom B. We verstaan eerst allemaal de Western B., maar dat blijkt een vergissing. Er zijn ook monniken met rode, witte en zwarte kappen. De eersten mogen trouwen en leven met hun vrouwen in het klooster. Dan betreden we het ‘museum’ een vierkante donkere zaal met een soort voorwerpen die je bij ons in de schatkamer van een stokoude kerk zou verwachten. Alle teksten Tibetaans of Chinees.

Vervolgens de extra ranzig ruikende collectie van yakboterbeelden (vierkante taferelen), die prachtig geverfd zijn, toch deerlijk muften en om de paar jaar helmaal bederven. Elk jaar maken jonge monniken in competitie nieuwe boterbeelden. Bah. Voor het Nieuwjaarsfeest. Twee jonge Amerikaanse economen in opleiding uit Chicago en Minnesota, die al een half jaar cursussen volgen aan de Universiteit van Beijing, maar geen fok met hun ‘minor Chinese’ opschieten, omdat ze zich in hun eigen kwaaktaal proberen op te sluiten en colleges in het Engels volgen, lopen met onze toer mee en missen veel omdat ze Wybe niet verstaan die het koeterwaals van Jim Pa goed uitlegt. Zij geven me toverwoorden voor boekhandels in Beijing: xidan, xenhua, windaoko, schrijft de blonde op die kennelijk nog nooit een normale vulpen gezien heeft. In de buurt van de Uni van B. (NW van het centrum) , zegt hij, zijn goede boekhandels.



Onder de foto: Dit centrale heiligdom in Labrang heeft in de verte iets van een kerk, maar kijk ook eens naar het prachtige, achterliggende landschap.




In de matreya-tempel zitten monniken op de grond te zingen met de lunch voor hun neus: brood (wit) met slappe thee en yakkaas die eruitziet als kroepoek, bleek. In de hal van de Grote Gebedshal ( in ’85 helemaal afgefikt met alle inventaris)(dateerde van 1708, maar is weer helmaal herbouwd) zitten in een verboden ruimte zonder deur ±20 monniken te zingen op de grond met hun rug tegen de muur, twee van hen slaan met en kromme stok met een platte knop eraan op grote staande trommen, twee blazen op veehoorns en de rest zingt of slaat wat bekkens of cymbalen. We komen te laat in de Grote Hal want enkele honderden monniken komen net naar binnen en doen hun gele kammutsen af na een zangaubade buiten op de trappen. Als we daar zijn, is er niemand meer liggen er alleen alle zwarte hoge schachtschoenen van de monniken op de trappen. Niemand mag ergens foto’s maken of filmen. We doen het gewoon stiekem toch. Zonder het gezongen gebed gaan we met een brommertaxi voor 10 naar huis om te lunchen en een uurtje te slapen. ’s Middags bezoeken we en leraar/monnik in zijn huisje op het kloosterterrein aan de hand van de zoon van de hotelmanager. Wee zien de gebedskamer met boeddha’s in gouden kastjes, de binnenhof met schotelantenne, de badkamer, de primitieve banken en de zitkamer met enorme tv. Een grote ijskast heeft hij ook en een schoonmaakster. Er komen hel wat vragen over het kloosterleven van de 1800 monniken. Het B. richt zich op persoonlijke verlichting zonder via de kloosters zich als school of als ziekenhuis maatschappelijk nuttig te maken. Mijn pakkie an niet.


Onder de foto: Boeddhistische nonnen met hun korte kopjes: ze lachen altijd...



Onze dag eindigt boven de stad op een helling bij drie nonnen van 24, 34 en 30 jaar. Ze lachen veel, zijn niet verlegen, maar de impertinente vragen van Wybe schrikken hen af. Om 17.00 uur zijn we thuis voor P-nap.

Doeg, morgen naar de nomaden!!!

BUNTER


dinsdag 13 januari 2009

Chinees dagboek deel XVIII

Chinees dagboek deel XVIII

(zhōng)(guó) ()()()(shí)()()(fen)

Met Bunter op weg naar Beijing! XVIII

De hoogte in naar Xiahe,

maar eerst vieze ratten!

Dekromme pijl wijst naar de geografische plek van Xiahe in China.

The Overseas Tibetan Hotel, Xiahe, 22.30 uur.

二零零六年五月四日星期四

Donderdag 4 mei 2006 in Xiahe (Siejagge), 260 kilometer ten ZW van Lanzhou.

Lanzhou ligt aan de beroemde Gele Rivier (Huang He) en dat is ook het enige wat we er eigenlijk van zien. Het is de hoofdstad van de provincie Gansu en dat is dat. We komen er na de laatste binnenlandse vlucht aan en checken gelijk in rond 16.00 uur. Met een achttal mensen gaan we met onze gids ‘Richard’ eten in een fraai restaurant aan de oever van deze Gele Rivier.

De Gele Rivier bij Lanzhou

Het eten is prima. Eerst krijgen we koud ‘soppevleis’ en dan verse en in het zuur ingelegde tenen knoflook. Omdat we onze disgenoten niet gekozen hebben, ontspint zich aan de grote ronde tafel het gebruikelijke gesprek over wie wat lekker vindt van de Chinese keuken en wie er nog aan de schijt is of misselijk etc.Vooral onze Christiane heeft daar een handje van. We hebben weer een probleem met koud/lauw bier dat snel vervangen wordt door ijskoud en Christiane wil rode wijn, maar dat kan alleen bij de fles. Mopper, mopper, verongelijkt, kanker, kanker. Het gevarieerde eten maakt gelukkig veel goed, hoewel mevrouw C.E. zo zit te stuntelen met haar stokjes en de soeplepel dat het personeel het niet kan aanzien en ons Westers bestek brengt. Ik weiger natuurlijk. We gaan terug naar het hotel per taxi; ik rook een sigaartje in de lobby en zie hoe drommen Chinezen met kinderen naar binnen vluchten en Wybe’s papier proberen te lezen zonder succes. Dan schrijven en slapen.

- Intermezzo

- Bert van Dijk wilde natuurlijk eentje weggeven na het matineuze hardsleeperfeestje met vuurwerk en taart. Dat wil hij eerst aan de bar in ons Leshan-hotel doen, (Het beste tot nu toe met een prachtige, ruime, zwartgemeubileerde kamer), maar daar schenken ze pertinent alleen thee en melk. Die gekke Chinezen: niks te drinken in een poepsjiek hotel. Daarom gaan we naar de overkant en dat is de meest merkwaardige Horeca-inrichting die ik ooit gezien heb. In grote delen van dit bedrijf branden de lampen alleen op kopspijker-sterkte. Het is er hartstikke donker, kennelijk een darkroom voor verliefde stelletjes en stellen. We krijgen een aparte kamer en daar draait Cees van Carla opnieuw de ruime verlichting terug tot spertijd-niveau. Studentikoos en leuk, maar het irriteert me mateloos en ik grijp in en zet alle schakelaars boos weer om. Nu kan een staf van 6 hele menen de bestelling opnemen en daar brengen ze niets van terecht. Lauw bier. Wybe moet alles gaan aanwijzen en als ook de wiskey van pijpe-Bert er is en de rode zeikwijn van madame C.E. dan is de rest allemaal verschaald en kunnen we eindelijk proosten. Zo’n borrel blijft altijd bijeen en wij maken ons gauw uit de voeten naar onze mooie kamer.

einde intermezzo

Vanochtend zijn we om 08.00 uur vertrokken naar Xiahe op de rand van het Tibetaanse plateau (3000 meter) Om half zes ’s middags aangekomen na 100 van de 260 km over heel, heel slechte weg omdat men nog snelwegen en tunnels die kant (op) aan het aanleggen is. \Het ontbijt in Lanzhou is chaotisch. We worden als door sprinkhanen overvallen door een dichte horde HanChinezen. Zij roven alle gekookte eitjes weg, soms met tienen tegelijk, maar gelukkig heeft Wybe voor bruinbrood, bananenbrood en witbrood en koffiepoedertjes gezorgd en een keukenhakbijl om te snijden, want broodmessen, die kennen die Chinezen ook niet.

Ze rochelen en spugen op straat, binnen is het afslikken. Ze hebben enorme pakken op hun kleine bakfietsjes en soms zelfs en groot bankstel, waarin 2 mannen zitten. De aan het stuur van de fiets gemonteerde paraplu/sol is ook erg handig.

We moeten 5 betalen voor deze armzaligheid en vertrekken na twee rattenverhalen. We sliepen in het Ying Bin-hotel (nota bene 3 sterren ! allemaal beganegronds en dat leidde ertoe dat de dames Janette en Jozefine een grote rat op hun kamer zagen klimmen over een stoel. Zij wisten de manager te waarschuwen en verhuisden om middernacht naar de 2e verdieping. Wybe die een Israëlisch meisje zonder slaapplek een van zijn 2 bedden had geboden, zag ook een dikke rat op zoek naar eten op zijn kamer. Hij sloeg geen alarm (vanwege dat meisje, natuurlijk) en voelde de rat over zijn hoofd lopen op bed. Geen oog dichtgedaan. Mislukte poging om rat te vangen met koekjes in prullebak en de servicegids als deksel. Wybe valt al snel in slaap als we op weg gaan naar hier Xiahe. Het is een lange rit over slechte weg vol kuilen en modder. Eerst weg uit het kale leemgebergte bij Lanzhou. Dan door een wat bevolktere streek, waar we eerst een lange markt bezoeken. Een markt van de Moslimminderheid der Hui. Mannen met ronde witte moslimpotjes op, meisjes met zwarte hoofddoeken en oudere vrouwen met witte, paarse of roze kapjes. Grote ronde zonne-uilebrillen zijn daar de dernier cri en ook vele kalveren, schapen en vers uitgebeend vlees. Om 10.30 uur zijn we daar in Sensanshé hoor ik iemand zeggen. We stoppen om 11.00 uur in Xi Chuan (Si Tsjwan, hoor je) West Chuan bij een drie verdiepingen tellende moskee met erbij een jongens- en meisjesinternaat voor straatarme kinderen. De moskee is bekend door de grote imam-leider Wen Quan en heet The fouty (sic) four Generations Leader of Ga di ren wen quan Religious Sect, found sixt dec twothousandthree. We worden rondgeleid langs de open gebedsruimtes van deze soennieten en langs een klas en een slaapzaaltje voor jongens die lachend bij hun slaapplateaus staan. Ik bekijk een Arabisch-Chinees woordenboek. Wat is dat raar! We nemen afscheid en lunchen op schema in Linxia met heerlijke, goed gevulde noedelsoep. Carla vist al haar vlees uit de soep, omdat er stukjes vet aanzitten. We krijgen ook zoete moslimthee van heel vreemde ingrediënten, zoals een gele droogbloem, een soort bruine mottebal, een gedroogde pruimen veel groene en oranje blaadjes. Onder onze tafels liggen heel wat afgekloven kippenbotten die worden opgeveegd. Heerlijke lunch, ik krijg er een snotneus van. Verder richting Tibet gaat het over al maar slechtere weg, langs de woest stromende rivier de Daxia. Na veel gerammel komen we aan om half zes volgens schema. Het is hier tussen de 15 en 20 graden kil met wind en regen. En beide voelen we ons enigszins kortademig en duizelig vanwege de hoogte van 3000 meter. We maken een kleine wandeling en treffen Ernst en Mariska, die meters goudbestikt rood en blauw stof inslaat. Ik koop een Tibetaans hoedje voor 30 元。 Voor 34 de man eten we met zijn 5-en (+Inge) heerlijk in dit hotel. Het is nu 10 voor 12. Bedtijd. Morgen naar twee kloosters.


BUNTER

Voorproefjes van het enorme Labrangklooster

zaterdag 1 november 2008

Chinees Dagboek deel XVI




Toegangskaartje tot de tombe van Tang-keizer Wang Jian in Chengdu; echt iets voor een leeswedstrijd.


Chinees dagboek, deel XVI

(zhōng)(guó) ()()()(shí)(liù)()(fen)





Met Bunter op weg naar Beijing! XVI








Thee drinken in Chengdu





二〇〇六年五月二日星期二,

Dinsdag 2 mei 2006 , Chengdu, hoofdstad van Sichuan,

De ‘heetste’ provincie van China. 22.35 uur Tai ji Business Hotel, jianshe-straat 52, Chengdu.

Gisteravond zijn we na het spannende bezoek aan Dafo in Leshan met Ernst en Mariska de stad ingebobbeld op zoek naar wat te eten. Dat lukt niet erg. Het is erg druk en we moeten een tijdje lopen, voordat we in de eetstraatjes komen. Het zijn allemaal lokale Chinese tentjes. We vallen neer bij een Chinees op de bekende kabouterkrukjes aan een tafeltje met een groot rond gat erin, waarin onderin een gascomfoor staat. Er komt geen mens, we laten niets weten en komen niet wijs uit een groot papier aan de geval van het huis onder het afdak, waarvan ik alleen de nummers 1,2 en 3 aan het begin van de regel (sic). Het wordt dus echt eten wat de pot schaft en dat wordt al snel duidelijk. Zonder overigens het gascomfoor aan te steken plaats (sic) de horeca-ondernemer een grote roestvrij stalen schaal in het gat in de tafel met daarin een soort dikke vissoep van waarschijnlijk een lokale riviervis uit een van de twee rivieren die in L. bij het beeld en de eilanden van de grote staande en slapende Boeddha samenvloeien( zie reisgids!). Ik vraag naar de gekookte witte rijst (mifa, de n wordt niet uitgesproken!) en die komt ook. De vissoep is erg lekker al zijn de stukken vis (Mevrouw zit in een hoek van het terras de vis schoon te maken.) erg gratig. Als volleerd Chinees spuug ik ze allemaal uit op de grond voor mijn voeten. Ik tref zelfs vinnen en de staart. Mariska lust geen vis. Ine denkt eerst dat het te vet is, maar ontdekt dan echte bloemkool en taugé in deze oersoep en begint smakelijk te eten met de witte rijst. Ernst is van mijn stiel, zeurt niet, eet alles en houdt van vis. Ik laat de ondernemer, geholpen door het yu-woord (3e toon?) voor vis en het xiè-woord voor schrijven de naam van de vis op een rekeningpapiertje zetten. Hij schrijft in origineel Chinees handschrift 8 karakters op het papiertje en spreekt daarbij de woorden ‘shuàn zǎi’. Dat zijn dus hooguit twee karakters. Deze code gaan we dus thuis kraken met mijn nieuwe woordenboek. De rekening voor ons vieren bedraagt 49 . Dat is nog géén 5 euro! We bobbelen terug naar het hotel te voet, passeren nog een Philipsapparatendemonstratie, slaan onze slag in ontbijt bij een bakkertje en belanden op onze ruime en luxe hotelkamer in Leshan, Jiazhou-hotel 3 sterren. Ons vertrek de volgende morgen naar Chengdu draagt een spectaculair karakter. We staan nog te verzamelen in de hal, als buiten plotseling een lang knallint van rokend rood vuurwerg (sic!) wordt afgestoken. Ik vraag onze ‘jonge’gids Cheng wat er loos is en hij antwoordt lapidair op ze Chinees: wedding. Inderdaad: onder het oorverdovende geknal arriveert in mooie auto’s een Chinese bruiloftsstoet. Bruid en bruidegom stappen uit, schattig jong ding en hij in hemdsmouwen met cravatte en knalrode, lintvormige corsage. We zingen hen voorzichtig de eerste tonen van Wagners bruiloftsmars toe. De familie gaat in vol ornaat onderaan de trap voor een grote roze tulen boog op de foto. En dan worden de laowai ontdekt. Er ontstaat een heuse, korte receptie. We krijgen allemaal twee sigaretten van de bruidegom met twee snoepjes. Ik wens hen shun feng da ji (goede wind en veel geluk) en dan gaat onze hele reisgroep van 14 nog met bruidegom en bruid op de foto. Ik geef de groom mijn kaartje, wǒde míngpiàn, zodat de man enig idee heeft wie hij daar trof.

In ongeveer twee uur in een ruime, koele bus rijden we vanaf 10.15 uur naar een zeer heet (32 ° C) Chengdu.


Een stad van zes miljoen vol enorme verkeersbanen en

Foto: Chengdu by day


grote flats en ‘wolkenkrabbers’ en lichtreclames. Onze kamer in het


And by night!

Tai () ji Business Hotel valt tegen: krap en klein, maar schoon en godzijdank met airco! Ernst, Mariska, Ine en ik besluiten de middag samen op pad te gaan en Christiane Erens, die haar naam steeds verbetert tot Christian, de mannelijke vorm omdat ze ‘ane’ te Duits vindt, vraagt of ze mee mag. Mariska zegt uit de goedheid van haar hart ‘ja’, maar dat zal ze na vandaag zeker niet meer doen. We moeten met twee taxi’s gaan door die lelijke zeurpiet (zo blijkt achteraf. Voor 13 rijden we in ongeveer 20 minuten per taxi naar de hele andere kant van deze miljoenenstad en bezoeken het yongling (永陵) Museum, waar zich de echte tombe bevindt van de allerlaatste Chinese Tang-keizer Wang Jian (èn) (地宫) (±900 na Christus).



We zien een echte tombe-weg met


Foto: Welkom in mijn keizerlijke tombe.

dieren en wachters. We zien de 24 musicerende vrouwen op het tombe-platform, we zien de krijgers die het platform dragen.


Foto: Een van de musicerende vrouwen van Wang Jian



We worden door een lief gidsmeisje de


Foto: Onder deze steenhoop ligt Tang-keizer Wang Jian.

Museumwinkel in gedreven met zachte hand: bomvol jaden draken en peperduur – 8000 en hoger. Zo eindigde dus de grootste bloeiperiode van het klassieke, gouden China. Wij eindigen in een versloft theehuis in de verdroogde theetuin van het museum.


Foto: Gezellig druk, toch, in het theehuis van Chengdu!

Chengdu is bekend om zijn theehuizen met allemaal dezelfde bamboestoeltjes. Heerlijk bijgekomen nemen we een taxi of 2 naar het renmin (Zjenmin-Volkspark, waar Ine eindelijk iemand ziet vliegeren en we ‘iets’ uit de hotpot bestellen: stukjes vlees, piepertjes en tofu en hond of kat. Nog ‘na te dusten’ met vuurrode peperpoeder. We nemen allemaal wat. Mevr. C. niet en ook nog een ijsje. We wandelen door het parktheehuis, waar het gezellig bomvol is en dan heeft C. het al een tijdje op haar heupen: ze wil dollars tegen yuan wisselen bij de Bank of China, maar die is niet in de buurt. Het lukt haar – horen we achteraf – niet en haar opgekropte boosheid viert ze bot op die arme Mariska die de les gelezen krijgt bij terugkomst in het hotel. Wij nemen weer voor het enorme bedrag van 15 yuan een taxi terug naar het hotel, souperen bij KFC op ze Chinees/Amerikaans met een enorme emmer Kèlè tegen de dorst en slapen nog 30 minuten voor we naar de avondvoorstelling gaan.


Foto: Alvast een voorproefje van de spetterende Tang-show

Die heel leuk is – later daarover.

Bunter

Toelichting:

Ik ben er nu nog niet in geslaagd de 8 karakters van de visboer van Leshan te ontcijferen. Het is heel moeilijk lopend Chinees schrift te lezen, omdat de pen niet van het papier genomen wordt en alle strepen zo met haaltjes aan elkaar vast komen te zitten. Tot mijn onuitsprekelijke vreugde staat er een anakoloute zin in dit stukje dagboek: een zin, die niet af is en die niet loopt. Zo door mij neergeschreven, net als indertijd in ongeveer de vijfde eeuw voor Christus de grote Griekse reiziger en historicus Herodotus vele malen deed in zijn tekst. Ik ben nu even echt trots op mezelf.

De twee karakters die ik achter de naam van de Tang-keizer tussen haakjes noteerde slaan niet op de naam van die keizer, maar worden uitgesproken als dìgōng. Die laatste lettergreep betekent keizerlijk paleis, maar de eerste is de algemene aanduiding voor aarde, bodem, veld,. Terrein. Het is ook het voorvoegsel voor ondergrondse werken als metro en zo. In ieder geval is het geen vaste combinatie. Voorlopig houd ik het op ‘ondergronds paleis’. Tenslotte: de theehuizen in Chengdu zijn een absolute aanrader.

En nog iets: het Chinese yu-woord voor vis kent een tweede, stijgende toon, want de derde toon is voor het yu-woord (spreek uit met een lange 'uu' en niet met een 'oe' is voor het woord 'regen'.

B.


.