maandag 7 maart 2011

Bunter in de tropen IX


In het pikkedonker
door het regenwoud
met Melchisedech

Woensdag 12 november 2008, Puerto viejo de Sarapigui, Lodge Hotel Selva Verde.

Waar we nu weer terecht zijn gekomen. In een echt, doordacht junglehotel. Deze mensen hebben de nodige hectares laagland-regenwoud; bouwden aan de rand dit hotel van 60 superruime kamers langs riviertjes, op palen langs een ouderwetse galerij, in het woud, alles dichtgemaakt met horgaas en juh! De plafonds van de kamers af(gehaald) en (het open gat afgedekt met) voorzien van klamboegaas, zodat je het gevoel hebt midden in het woud te slapen zonder bang te hoeven zijn voor kikkers, dikke spinnen, nachtvlinders, trekmieren, muskieten etc.

Vanochtend effe helemaal niks, behalve voor en man of zes die naar een 70 meter hoge waterval per taxi gingen en zagen dat ze toch wel lager was. We hebben op ons gemak ontbeten na gewekt te zijn door een vogel tegen ons bovenraam. We hebben de botanische tuin gezien met Calathea lutea – het grote banaanachtige blad op dunne steel dat je overal ziet. Manihot esculenta of yucca of cassave of maniokwortel, een lid van de Wolfsmelkachtige (Euphorbiaceae) en dus giftig, maar na bewerking toch tropisch volksvoedsel nummer een.

* Maniok-wortel: voor enorme delen van de wereldbevolking zoiets als onze pieper.

* De avocado ligt wel bij ons in de super, maar is thuis in de tropen.
  En Avocado of Persea Americana en in het Spaans Aguacate. Toen zijn we in ongeveer twee uur vanaf 12.00 uur naar P. viejo de Sarapigui gereden en hebben met Burrito kip en een Quesadilla, een milkshake en een biertje gelunched in en plaatselijk tentje, luisterend naar de naam rana roja; de rode kikker en die zaten dus in de achtertuin op een veldje met bromelia’s en dood hout. Hele kleine rode kikkertjes met blauwe pootjes. Ze waren heel moeilijk te vinden. Ik ving er precies één in mijn kijkertje en kan hem lang zien voor hij wegsprong.

In de marge: Vlak voor ons vertrek viel in heel Selva Verde de stroom uit en dus ook het licht. Een echte blackout, maar we zagen verderop in het dorp langs de weg alweer elektrisch licht.

De mensen daar, de mevrouw was ooit als eerste vrouw en heel bekende voetbalscheids, hadden bananentrossen in de tuin te rotten gelegd en daar kwamen veel vogels op af, waaronder de Geelborst. Een gele vogel met alleen een andersgekleurde kop.
* Geelborsten zijn dol op bananen. Of hun borstveertjes daardoor ook geel worden?  Foto Bunter.

In de kantlijn: We zagen ook en zwarte vogel met vuurrode rug even buiten de poort van het hotel, Dat was een Tanager. Ik zag ook weer de meer van manshoge purperrode orchidee en plukte een zaaddoos af. Een in de grond groeiende orchidee en dat is zeer uitzonderlijk hier.


Verder gereden naar het hotel met een stop in het dorp P. v.d. Sarap. Om te pinnen en naar de super. Boy (Fortis Bank) was de enige die niet kon pinnen en nog iemand. Om kwart voor zes begon de uitgestelde Night Walk door 192 ha jungle. We zagen geen grote zoogdieren, noch nachtvogels. Alleen klein spul als insecten, spinnen en een salamander (wit). De night walk ging door een aanpalend gebied naast Selva Verde, het 133 ha grote Tirimbina Biological Reserve. De meeste indruk maakten nog de mannenmuskiet (in blauwige opsmuk)en de bullet-mier, een echte knoeper met een pijnlijke beet. Ze worden ook wel de vierentwintigsuurmier genoemd, omdat hun beten zolang veel pijn doen. Morgen verder over Melchisedech, onze gids.
* Hier is hij dan: de gevreesde kogelmier. foto  Dappere Bunter.

In de marge:Onze nightwalk ging over de Rio Sarapiqi via een hele lange hangbrug, heel wiebelig. Daarop kreeg die arme Nadine uit Weesp last van hoogtevrees en wel op een fobische manier. Heen liep ze een soort polonaise achter Sandra, ook toergids bij Oad, maar terug mocht ze helemaal voorop en rende als een stoomtreintje met Sandra in paniek de brug over. Arm kind!


Ach die arme Melki, voluit Melchisedech, van Tirimbini. Al bij het begin van onze nightwalk zei hij: “We zullen geen zoogdieren zien, want de maan is uit. Er is te veel licht in het woud en dan verstoppen ze zich. En daar gingen we over het door vele toeristen platgetreden pad. We zagen enkel spinnen in hun web, een paar grote sprinkhanen,

* Een sprinkhaan op een blaadje   foto Bunter.
* Aan mooie spinnen geen gebrek in het woud  foto's Bunter.
* Hoe onbekender, hoe griezeliger in het donker  Foto Bunter.
we hoorden het geluid van vleermuizen, de specialiteit van onze vriend. We zagen ook een reusachtige plant van de Bonenfamilie (Fabaceae, correct, thank you, sir, zei M. toen ik die naam mompelde), die ’s nachts zijn samengesteld blad inklapte om insectenvraat te verminderen. We zagen ook de 24-uur-mier, hier de bullet-ant genoemd, een groot ± 4 centimeter lang monster op alle takken en bladeren present met zijn gevreesde pijnlijke steek, een hol van een Armadillo of gordeldier, waarvan Melki zei, dat het wijfje altijd een eeneiïge vierling krijgt om babypredatie voor te zijn. En nog een witte hagedis of salamander en een klein bruin kikkertje en dat was het.
* Wandelende tak op Melki's hand   Foto Bunter
* Een eenzaam bruin kikkertje in het regenwoud  Foto Bunter

In de marge: Melki liet op mijn verzoek ook een bromelia-bloem-aar zien met witte wasachtig dikke klokbloemen, waarvan er elke nacht één opengaat en meteen door een vleermuis bestoven wordt. Er zat op de plek van de helemaal uitgewoonde bloem een groot gat in de aar en er hing een klodder slijm aan.


M. vertelde ook: slecht twee of drie bloedzuigers in het laagland-regenwoud, alleen kleine paddestoelen.

Ik ben op het laatst een beetje met Melki gaan keuvelen vooraan en hoorde dat hij in ‘bats’ zat die hij vledermuis kon noemen dankzij Astrid uit Deventer, zijn vriendin, die een week naar Costa Rica kwam en een heel jaar bleef. Hij ging niet naar Holland als bioloog zei hij en dat wist Astrid!
* Gids Melchisedech laat zijn vledermuisje zien  Foto Bunter

Op het eind van de toer haalde Melki nog 3 vleermuizen uit groene zakken, pas gevangen door een collega met mistnetten in het woud en in al hun vormen door M. geshowed. 2 ♀♀ en 1 ♂ met een echt pikje op de goede plek. Hij vertelde verder over de homologie van de vleugel met de hand van zoogdieren en over de relatieve grootte van de kloten van tropische vleermuizen. Hadden wij hun omvang van testikels dan zouden wij ballonnen in onze broek hebben, aldus Melchi. Wij hebben gegeten bij Tirimbini en daar vond ik niks aan: platte tomaatspaghetti met fruit, coleslaw en gemengde groenten. Niets om naar huis te schrijven. Alleen de icethee was lekker! Wel heerlijk geslapen in onze koloniale wood-lodge in het gezoem en gesjirp van alle insecten en onder de hemelse koelte van onze fans.
BUNTER

dinsdag 18 januari 2011

De Waerelt volgens Bunter XXVII

Boem-boem; haa-haa



Dit is de titel een verhaal, waarmee ik als oudere puber, jaren geleden dus, enige indruk maakte op mijn vriendjes en vriendinnen of op buurtkinderen, toevallig aanwezig op wat wij toen een fuifje noemden. Dergelijke feestjes in de jaren zestig werden nog niet gedomineerd door bonkende boxen en jankend, sterk versterkt gitaargeluid, in snel ritme afgewisseld met getrommel en geroffel en af en toe metaal-op-metaal geratel. Er was wel een pick-upje, ergens in een hoekje van de niet al te schel verlichte ruimte, waarop singeltjes gedraaid werden die qua ritme uiteenvielen in wals, quickfox en foxtrot. En sommige dappere meisjes uit de buurt stapten op je af en zeiden dan met een waterig glimlachje en een giecheltje: “Dat lier iech diech wel, jong.” En voor je het wist had je de stappendriehoek van de foxtrot onder de knie, maakte je soepel de draaibeweging mee en begon je zelfs naar de tekst van het liedje te luisteren om het mee te kunnen zingen. Terwijl het meisje vooral bezig was soms lachend, soms ernstig naar je gezicht te kijken en jij je best deed uit verlegenheid die blik te ontwijken.
Sommige meisjes roken daarbij best aangenaam, niet naar parfum, maar naar een lekkere zeep of naar shampoo, of gewoon naar zichzelf en ik kan me herinneren dat de herinnering aan die luchtjes bepaalde of het een leuk feestje was of niet. Of het meisje leuk was of niet, die vraag kwam nog niet op.

Welnu, in die gekke, onzekere en verlegen tijd voelde ik toch aandrang om iets geks te doen voor iedereen, zodat er om mij gelachen werd. Van gelach ontspande ik altijd erg en kreeg ik ook meer zelfvertrouwen. Dus dan informeerde ik hier en daar in het gezelschap bij oudere jongens en meisjes of ze het misschien leuk vonden om het verhaal van ‘Boem-boem, haa-haa!’ te horen. Ik vroeg het aan zovelen, dat tenslotte bijna iedereen nieuwsgierig werd, zich naar mij toedraaide en ‘komt er nou nog iets van?’ gebaarde of uitstraalde. Dan kwam er een klein deel van de ruimte vrij als vertelplek, waar iedereen mij goed kon zien, terwijl het jonge publiek bij elkaar ging staat in kromme rijtjes om te luisteren. Het was natuurlijk geen moeite om dat naaldje van dat plaatje op dat pick-upje af te tillen, zodat het helemaal stil werd en ook de gesprekjes onderling een klein beetje uitdoofden.

En puber als ik was, met een beetje buikkramp en stijve armen en benen, ik stak van wal. Het verhaal kon zich in elk jaargetijde en in elk landschap afspelen. Het geraamte van de vertelling was de schildering in woorden van een eenzame wandeling door de verteller in de ik-modus. Een wandeling die om een of andere reden (brief naar de post; iemand gaan uitnodigen voor een feestje; een telefoontje met een verzoek om te komen enz.) in de schemering vlak voor het avondeten begon. In de straten van je buurt, waar in die tijd nauwelijks verkeer was, hoorde je het al meteen maar wel heel zachtjes: boem-boem; haa-haa. Een dubbel boem-geluidje, meteen gevolgd door een lach. De eerste keer deed ik dat heel zacht. Maar naarmate de wandeling vorderde veranderde ook het doel van de omzwerving. Het ging er niet mee om die brief te posten of dat bezoekje af te leggen, maar om te achterhalen, wat dat voor een gek geluid was.
En dus ging de dolende ik-figuur steeds de kant op, waarvan hij dacht dat daar het geluid steeds sterker werd. Intussen liet ik het ook steeds donkerder worden om me heen en een spookachtige maan opkomen en ik beschreef meestal mijn oudste speelterrein: de bietenvelden, de braakliggende velden vol bijvoet, kamille, melde en distels en de vochtige draslanden rond Kasteel De Geusselt. Waar nu de A2-autoweg de oostkant van Maastricht schampt, dwars tussen Wijck en Scharn/Heer door en waar een peperdure auto-tunnel moet komen, omdat al die stoplichten belachelijk zijn en een flessenhals in het Europoese wegennet vormen.

Het Kasteeltje de Geusselt bij Maastricht, waar ik boem-boem; haa-haa hoorde. Bron: Wikipedia.
En bij elke verandering van pad of coulisse, werd ook het geluid steeds harder: Boem-Boem , Haa- Haa. Tot ik oog in oog stond met het kasteeltje aan de noordrand van Maastricht, waar Wijckerveld en het Wittevrouwenveld tegen elkaar aan schuren en Amby en Rothem opdoemen. Vlakbij het kasteeltje was het geluid natuurlijk oorverdovend al BOEM-BOEM; HAA-HAA. Dit was de eerste keer, dat ik het Leitmotiv van het spannende verhaal keihard schreeuwde en heel erg onverwachts, midden in een vrij rustige, beschrijvende zin. Ik zag dan dat er een schok door de groep ging en daar kreeg ik een kick van. Enfin de trap op, het kasteel in, natuurlijk met beschrijving van allerhande details: harnassen, krakende trappen, fladderende gordijnen, flakkerende kaarsen. Tot in een diepe kelder, of in een wapenzaal ik een oude ladekast vond, die bij het volgende knallende geluid hevig schudde. Het geheim van het geluid moest in die kast zijn en dat bleek ook meteen. En dan volgde de clou, die ik hier nog niet ga vertellen, natuurlijk.
Zo waren er in die heerlijke, nog onbedorven tijd met weinig drukte, files, verkeerschaos , popgeweld, massale concerten enz. enz. nog meer verhalen in omloop. Bijvoorbeeld het verhaal van een tijger, die een reiziger in de Indiase jungle tegenkwam en die hij op en ingenieuze manier probeerde te ontwijken, met stap-combinaties, loopjes en andere gekke bewegingen. Deze twee verhalen waren naar mijn beste weten afkomstig uit de kring van de scouting en wel om precies te zijn uit de H. Familie-groep van het Wijckerveld, toen aangevoerd door hopman Jacobs, buiten het spel een eerzame huisschilder. Het waren kampvuurverhalen. Veel later hoorde ik van een goede college een soortgelijk verhaal, niet voor een puber-bakvis-fuifje of bij het kampvuur, maar meer voor twee of drie vrienden aan de bar in een kroeg-zonder-‘muziek’. Een verhaal dat verteld wordt als een waar gebeurde anecdote. Van iets dat je recent hebt meegemaakt en dat je vertelt alsof het waar gebeurd is. Het gaat om een vuurrode koffer, die na aankomst op Schiphol, of na een treinreis door het land toevallig vergeten wordt door iemand en die bij jou terecht komt. Het verhaal moet zo verteld worden (hoe zwaar is dat koffer? Gaat het open? Instanties aflopen, informatie opvragen enz.) , dat iedereen wil weten, wat er dan in die koffer zit en dan volgt de clou, natuurlijk. En ook die houd ik voor me, natuurlijk

Nu zou ik wel eens willen weten of er mensen zijn die lang geleden deze verhalen gehoord hebben en wat in hun herinnering dan de clou, de oplossing van het verhaal was. En of ze zich soortgelijke verhalen, maar dan anders, kunnen herinneren. Ik zou het erg leuk vinden om deze mondelinge verhalen in mijn blog te codificeren, dat wil zeggen in schrift vastleggen. Laat eens wat horen, die dit toevallig leest!

BUNTER

donderdag 6 januari 2011

Bunter in de tropen VIII






Leguanen, brulapen
en kanonskogels
in een boom

Dinsdag 11 november 2008,Costa Rica, Hotel Arenal Springs, huis 310, 20.00 uur,
Gelijk door met dag 5 van deze prachtige natuurvakantie. Vandaag rijden we om 6.00 uur weg. We hebben goed geslapen en zijn op tijd. We ontbijten niet in het hotel, maar in het tentje (Patatas, petatas? Volgens Ine) van Leo in het dorp Las Chiles, vlakbij natuurpark Caño Negro, waar we van ½ 9 tot ± 12.00 uur met een mooie boot over de Rio Frio gaan varen met een vogel- en dierspotter.

*Zo begint de Koude Rivier of de Rio Frio in het natuurgebied Caño Negro.
 Señor Andrés is zijn naam en al vijftien jaar doet hij dit, eerst als bestuurder. Het is warm op de rivier, maar we hebben een dak boven ons hoofd in de vrij platte, open toeristenboot. Hier komt een lijst met wat we allemaal zagen met een korte toelichting.

De lijst van gespotte dieren in Caño Negro begint met:

* Aalscholver.

* Jacana centro-americano: jonkie en vader op nest met drie eitjes op een propje waterplanten. Wijfje legt eieren voor zes mannetjes en de heren doen het broedwerk en de moederzorg. We komen heel close op het nestje en ik zie de eitjes heel groot door het fantastische kijkertje.

* Het schamele nest van de jacana-man
*Hier is hij dan, de broedzorgende Jacana-man. Natuurlijk maakt hij zich uit de voeten, dansend over waterplanten.

* Ceibaboom of Kapokboom, enorme boom, heilige boom van de Maya’s, die de zielen van aan zijn voet begraven mensen naar de hemel moet begeleiden.

* Guarumo of cecrops obtusifolia (inmiddels opgezocht via Google en Wikipedia). Andrés vertelt dat de inheemsen van zijn bladeren sigaren rolden in de vorm van een joint: je wordt er lekker suf van.

* Slangenhalsvogels, allemaal wijfjes met blauwe oogjes en dezelfde kleur rond de ogen. Teken dat ze ‘in mating’ zijn. De meesten laten hun vleugels drogen in de zon met de armen wijd.

*Zonnende slangenhalsdames, met en zonder blauwe oogjes.


* Blonde brulaap, wijfje, hoog in de boom met een troep. Vacht is roodachtig wit of heel licht roodbruin. Is geen albino maar de kleur is wel een uitdrukking van een recessief gen. Duidelijk in de kijker. Dier is sociaal niet geaccepteerd in de groep.

Señor Andrés’ citaten en bijzonderheden:

1. De Luiaard komt één keer in de paar dagen van bovenuit zijn boom naar de oerwoudbodem om te poepen. Hij begraaft zijn keutels net als een kat om zijn predatoren te misleiden.

2 . Als een jonkie van een luiaard of een brulaap valt, gaan de volwassen dieren het niet ophalen. Ze laten het diertje liggen. Het zal ook wel dood vallen, maar volgens Andrés denken de dieren, dat als een jonkie zich niet goed kan vasthouden, hij/zij ook niet sterk genoeg is om te overleven.

3. Maakte een grapje over en zwarte stok in het water: het is een prehistorische vis; sorry, is een stok. Ik kan ook fouten maken. Deze vis bestaat wel; een afgietsel ervan staat op de ijskast bij lunchLeo in Los Chiles. Het betreft een longvis.

4. De thermaalbaden gisteravond zijn velen in de groep goed bevallen Wij zijn niet gegaan. Als ik het goed begrepen heb, was het een soort Kneippkuur met naast het hete bad telkens een koel bad. Tintelingen. Niets voor mij! Baldi thermaalbad: terminaal bad. Het was de grap in de groep.

5. Vannacht of gisteravond laat zagen we de vulkaantop onbewolkt .

5a Een boom vol kwetterende maar onzichtbare parkieten.

6. We hadden om 06.00 uur een wekvogeltje, dat tegen het glas in de punt van ons dak vloog; een keer of vijf, zes Met het grote licht aan verdween het beestje weer.

* Luiaard, hoog in een boom, nagenoeg helemaal opgaand in zijn omgeving (mimicry), maar hij hangt aan zijn achterpoten en krabt zich duchtig in zijn vacht met de enorme nagels aan zijn voorpoten. Hij heeft veel soorten jeukbeestjes in zijn vacht. Andrés kent bijna alle Nederlandse namen van ‘zijn’ soorten, soms ook in Duits, altijd Engels en hij heeft goede, kleine gidsjes van de natuur.

* Cannon ball tree – kanonskogelboom. Een zeer merkwaardige boom, waarin veel bruine ballen, de vruchten, aan een korte draad hangen. Zeer vreemd.

 *De kanonskogelboom

*Veertien langneusjes onder elkaar. 
* Langneusvleermuis. Zij zitten op een rijtje tegen de bast van een boom, geklemd als doorgelopen X-jes. Zoogdieren!!

* Witgrijze reiger met felgele poten. Is geen zilverreiger. Hij vist met zijn poten door ze als wormen/tenen te bewegen in het water en vis aan te trekken.

*De met felgele poten vissende reiger

* Brulaap met felwit scrotum voor zijn ballen. Reflecteert zonlicht en houdt sperma koel. Hij ligt bovenop een gebogen palmbladnerf en maakt veel kabaal.

*Felwit licht de opvallende balzak van Man Brulaap op.

* Rose Lepelaar, achter in een weiland bij een sloot met koereigers. Felrode vleugelvlekken. Ze moeten veel shrimps eten om rose te worden. Ik maak het camaricones-grapje tegen Andrés en hij begrijpt het.

* Koereigertjes, amazone-ijsvogel, groene ijsvogel kleinste.

* Gewone Potoo. Rare vogel die opgaat als een dikke dorre tak in het bladerdak, als een mimicrystomp. Nyctibius is zijn Latijnse soortnaam. Soort uil may be Australische nachtvogel. Zie ook nog even de Grote Potoo. Hoera, heet pajaro brucha – heksvogel – in het Spaans vanwege nachtelijk, akelig geschreeuw.

* Trogon, klein neefje van de Quetzal, vogel niet groot met witte streep op ze staart.

* Spinaapjes, veel te vlug tussen het gebladerte.

* Grote blauwe Morpho-vlinder, dwars over water.

* Grote leguaan op omgevallen boomwortel.

*11.08 Kaaiman aan de oever. We naderen hem zeer na en hij taait af. Niet zo groot.

* Grove bill Ony (onleesbaar?), soort koekoek, is ook nestparasiet. (broedparasiet?)

* Sigaarbloem, helaas verwelkt tot bruin.

* Schildpadje, niet gezien.

* Ook nog de Jezus Christ-lizzard, groen met blauwe puntjes over de rug. Eerst twee vrouwtjes van wie er een inderdaad op de vlucht voor de boot over het water rent. Andrés: dat kunnen ze 20 meter volhouden, dan worden ze Peter-lizzard, gaan zinken en zwemmen.



*De Jesus Christ Lizzard.

Op de terugweg geeft Marcha ons veel info over de landbouw in deze regio (*Ananas, Yucca/Cassave, Papaya, mislukte teak-plantages enz.). Maar eerst de lunch in Las Chiles opnieuw bij Don Leo, maar wel inbegrepen bij de 45 $ p.p. die deze excursie kostte. Kip met rijst, soort nasi goreng, sla, groenten en gefrituurde yuccawortel of cassave. Erg lekker, soort gebakken aardappel, maar dan anders. Het ontbijt kostte 6 $ p.p. Het is zonnig en heet, bijna de hele dag tot plusminus 16.00 uur motregen en om ongeveer 18.00 uur een tropische wolkbreuk als we in het restaurant van Arenal Springs zitten.

*De monsterachtige leguanen in Muelle.

Op de terugweg, dus, van onze riviertocht, waarop ik me soms een missionaris op de oerwoudrivier voelde in afwachting van de complete bevolking van een Indiaans dorp op de oever en met bouwplannen voor een kerkje onder de arm, komen we in een dorpje met de naam Muelle bij tot nu toe een van de merkwaardigste merkwaardigheden van deze reis. Restaurante Los Iguanas. Om 14.20 uur zien we vanaf een brug een boom langs een stroom met in de takken veel leguanen, lui, zonnend of kruipend. Donkerbruin, oranje, groen, lichtgroen en blauw op het schedeldak. Dat zijn de kleuren. De mannen ook uitgedost met grote keelflappen. Ze komen hier omdat ze met papayafruit gevoerd worden, elke dag. De heren gaan ook vechten met elkaar. Zijwaarts het hoofd slaand met de forse wangpantsers en een soort elleboogje duwen daarna. Ik heb deze enorme beesten tot twee meter lengte nog nooit zo actief gezien. Ze kruipen op je af, rennen weg voor een hondje, kruipen recht omhoog tegen de stam van een boom, klauteren over hoge betonnen muurtjes en eten ook de rode vruchten van de Palma real.

* Een enorme leguaan in een boom langs de weg bij Muelle. 

Max heeft een elektrisch probleempje met de starter van zijn bus. Het lost zich gelukkig vanzelf op. Hij tankt 150 liter Diesel. Veel te laat zijn we terug in het hotel (16.00 uur). We rusten effe, checken zwembad en bloemen en planten uit, ontdekken een botanische tuin met veel namen, en ook twee ‘klomporchideetjes’ van een vorm die ik nog nooit gezien heb: een bolronde, gele omhoog wijzende lip. Het moet echt zijn, want ik zie pseudobulben en wat blad. We eten in het hotel-restaurant: Arroz met zeevruchten para mi en Arroz du chef voor Ine, een glas rode wijn, een rum samen voor 20.000 colon: 27 euro.

BUNTER

dinsdag 7 december 2010

De Waerelt volgens Bunter XXVI

*Dit is de eerste sneeuw in mijn landouwen van de winter 2010/2011, gevallen op vrijdag 26 november.               Foto Bunter 
Sneeuwmijmeringen

====================================================
De allereerste sneeuw dit jaar viel al op vrijdag 26 november. Ik word er altijd acuut manisch-nostalgisch van, omdat ik de wereld weer met kinderogen ga zien. Ziehier het resultaat:
=============================================
Wat sneeuw met je doet en kou. Een jonge vrouw in het Zuid-Koreaanse Seoul zei het vanmorgen tijdens een voorbijkomend tv-journaal: “Sneeuw doet me heel erg aan mijn jeugd denken.” Zo vergaat het mij nou ook. Winterse kou, sneeuw en ijs hebben kennelijk op mij als klein kind een enorme indruk gemaakt. Ik was een regelrechte koukleum, die bijvoorbeeld een hekel had aan die ijskoude, gladde linnen bedlakens in een totaal onverwarmde slaapkamer. Daar moest je met je kleine bibberlijfje tussenkruipen en dan duurde het enkele vreselijke minuten voordat het weer warm werd om je heen. Mijn moeder had ook flanellen lakens, maar pas als het heel erg koud werd, kwamen die uit de kast en was er gelukkig ook een warmwaterkruik in een witte luier, vastgezet met een dikke veiligheidsspeld voor aan de voetjes.

De winters van bijna alle jaren vijftig waren in mijn herinnering streng en lang. In onze keuken thuis stond een buiskachel, zwart glimmend en rond met een lange kachelpijp eraan, die richting schoorsteenkanaal verdween, al kan ik me niet herinneren, waar in de keukenmuur die aansluiting zat. In de woonkamer was er een wat toen heette kolenconvector, een grote glimmende kolenhaard met mica-ruitjes en een grote vulklep bovenop. Verder waren er geen warmtepunten in huis. In september kwam de kolenboer en vanaf november/december moesten wij als kinderen geregeld de ijskoude en schaarsverlichte kelder in om in een verre, donkere hoek met de kolenkit een forse lading kolen te gaan scheppen. Dat maakte altijd behoorlijk kabaal, waarvan ik erg bang werd. De convector kon je zodanig voeden, dat hij ’s-nachts op en zacht pitje bleef doorbranden. Een van mijn ouders rakelde dan ’s morgens na het opstaan het vuur weer op door met een hakig pookje aan het asrooster te rammelen. De witte as viel dan in de asla en het vuur vlamde op en kon opnieuw met kooltjes gevoed worden. Het keukenkacheltje moest vaak ’s ochtends opnieuw aangemaakt worden met dunne houtjes, takjes en krantenpapier en lucifers. Als dat flink fikte, ging het deksel in ringen weer op het kacheltje en werden voorzichtig kolen bijgevuld door een klep hoog boven aan de voorkant. Geen centrale verwarming, nee.
*Veilig en warm achter glas is het heerlijk om naar al die ijzigheid te kijken en te mijmeren. Foto Bunter
Geschaatst heb ik veel in mijn lagere-schooljaren. Op een primitief ijsbaantje bij Huize De Geusselt aan de noordrand van M. Op een opgespoten ijsbaan aan de Mokstraat in H. bij M. En later op de zogeheten roeivijvers bij De Geusselt. Nee, nooit op Noren. Op simpele houten Friezen, die we doorlopers noemden omdat het schaatsijzer aan de voorkant met het hout omhoogkrulde, waardoor je niet snel achter rommel en rotzooi op het ijs bleef hangen. Die schaatsen bond je onder je schoenen zo strak mogelijk met lange oranje-bruine veters, die eruitzagen als reepjes stof in plaats van de normale schoenveters. Als je alle vier de punten bij elkaar trok over je hoge schoenen, kon je die veters aan de lange zijde van de rechthoek nog eens doorhalen en daar de laatste knoop leggen om de veter nog strakker te krijgen. Schaatsen die losgingen, voelden vreselijk aan je voeten. Maar te strakke waren ook een ramp. Je bond als het ware de bloedsomloop naar je voeten af, die steen- en steenkoud werden en pas na enkele flinke ronden doorkrabbelen langzaam opwarmden.

 Ik denk dat mijn vroegste winterherinnering is, dat ik achter de ruit in de woonkamer zat en in de late namiddag net voor de schemering omhoog keek in een sneeuwbui van dikke vlokken. Als je maar lang genoeg keek, kreeg je het gevoel tussen de vlokken door omhoog te zweven, hoger en hoger, terwijl je gewoon op de vensterbank bleef zitten. Het kon vooral tijdens de carnavalsdagen enorm sneeuwen in die tijd, maar we gingen er toch op uit: rondjes lopen met alle buurkinderen rond de huizenblok waar we woonden en maar liedjes zingen, vrolijke liedjes in de kou. Omdat ik vaak moe werd, haakte ik wel eens stiekem af en sloop naar binnen om bij de kachel weer een beetje op temperatuur te komen. Ik was soms een echte huismus, vooral in de winter. IJs en sneeuw brengen mooie herinneringen mee.

Zoals de sneeuwpret in de vorm van spiegelgladde ‘sjievele’ of glijbanen, die wij als kinderen op de speelplaats van de Don Boscoschool, thans allang weer gesloopt,  maakten of op een willekeurige plek op een brede stoep of als er veel sneeuw was gevallen op de hellingen van het grote brede, totaal onverharde pad achter onze huizen, maar dan moest er wel veel sneeuw gevallen zijn. Een glijbaan, mijn vader noemde het een ‘selbrik’ in zijn ouderwetse dialectversie, maar wij, kinderen, zeiden altijd sjievel en zeker niet glijjbaon, zoals een nog steeds gezaghebbend woordenboek van mijn moedertaal meldt als het zoveelste Hollandisme in de kolommen. ‘Slebrik’, staat er weer wel en dat verschilt maar heel weinig van mijn vaderstaal. Dat 'brik' is eigenaardig. Is natuurlijk een keihard begrip. 'Unne brik' is een steen, in het bijzonder een baksteen. En nu hoorde ik van een superautochtone, dierbare kennis langs mijn tuinpad toevallig getroffen, dat het woord voor 'sjievele' in het patois van mijn huidige woondorp 'kèjje' met als klinker de harde, korte è van het standaardNederlandse met'. En 'un sjievel' is dan ook ' 'n kèj'. In dit dialekt kun je aan het lidwoord niet het woordgeslacht horen, maar dat is bijzaak. Ook dus een afgeleid woord dat aan iets keihards doet denken. Merkwaardig, niet?

Het 'sjievele' ging zo: je moest met een groep van drie of meer kinderen zijn en een plek uitzoeken met voldoende dikke sneeuw en ergens buiten de loop van voorbijgangers en andere mensen, want die konden afschuwlijk vallen op zo’n supergladde glijbaan. We deden het altijd met dikke sneeuw, nooit op het ijs van een vijver of een plas, want dat was vanzelf al glad genoeg. Achter elkaar renden jij en je vriendjes dan over de versgevallen sneeuw om op een gegeven punt je voorste schoen vooruit te steken en die met de snelheid van het rennen over en in de sneeuw te laten schuiven, gevolgd door je andere been natuurlijk. Je bleef als het ware plotseling staan en liet je eigen massa verder schuiven over de sneeuw. Het bevroren witsel veranderde langzaam eerst in een stevig wit sneeuwplakkaat en vervolgens na nog een stuk of tien, twintig doorlopen in een echt spiegelglad, langwerpig ijsvloertje, waar je al naargelang je rensnelheid overheen vloog meestal in zijwaartse richting met je heup naar voren. Het was zaak de ‘sjievel’ zo glad mogelijk te houden, zonder oneffenheden, want lag er ook maar een kiezeltje in het ijsvloertje of stak en een schuinliggende tegel met een hoekje door het stijfgeperste bevroren materiaal, dan kon je een lelijke smak maken. Ook moest je niet te vroeg op de glijbaan springen na het aan-rennen, wat ook dat resulteerde meestal in een flinke val of struikelpartij. Zo kon je na goede oefening met wel vier,vijf, zes of zeven kinderen achter elkaar glijen en gillend over elkaar heen vallen aan het eind van het baantje, dat soms wel een lengte van vijf tot zeven tot negen meter kon krijgen. Als je erg hard aanrende en helemaal uitgleed dan kon je aan het eind van het baantje doorglijden in de verse sneeuw om zo de baan nog langer te krijgen. Kwam je op het harde ijs ten val, dan liep je een gloeiende knie op, waar je de rest van de dag je pijnlijke lol mee op kon.
* Kijk, dit is de afdeling sneeuwmeting van mijn eigen meteo-station. Zoveel sneeuw is er gevallen sinds 26 november, gezien op een van de eerste decemberdagen vlak voor de eerste dooi-aanval.   Foto Bunter


Dit sjievele is een van mijn grootste genoegens geweest in de sector sneeuwpret. Het ging geweldig, je vloog vooruit en het was tegelijkertijd ook een fantastische oefening voor je evenwichtorganen.

Ik heb maar op één plek op het grote net een filmpje gevonden, waarop je een jongen het begin van ‘e bäöntsje’ ziet maken en voorover vallen in de sneeuw zoals ikzelf zo vaak in korte broek. En verder nada de nada. Het wordt gewoon niet meer gedaan: iedereen wil schaatsen op peperdure klapNoren, gaat skiën op steile bergen ver weg, langlaufen op loipes, maar het simpele gratis kindergeluk is er niet meer.

Dit is een aanvulling op de sneeuwherinneringen van de ‘Waerelt’ van begin januari 2009.

BUNTER

zaterdag 4 december 2010

Bunter in de tropen VII

Een vulkaan
in actie 

Arenal Springs, Room 310, 19.15 uur, 11-11-08, dinsdag,

Intussen zit ik in de schommelstoel binnen en niet meer op het tempo dulu terras buiten. Het licht trok te veel tropische insecten en dikke nachtvlinders. Omdat ik ze niet ken, vind ik dat griezelig. OK?

Ik heb besloten nu ook enkel op deze rechterpagina’s te schrijven, omdat de keerzijde te veel bolt en niet lekker schrijft. OK?

We aten dus bij Macadamia, een flink stuk voor Arenal. Ik had een warme Tilapia-salade en Ine iets vegetarisch. Bovendien een tropische-mix-vruchtendrank en verder was het buiten zitten op het terras een soort stoelendans, omdat er te weinig stoelen waren, ook binnen, toen e waren afgedropen buiten. We hebben daar op ons gemak geluncht en reden toen door naar ons nieuwe Hotel Arenal Springs. Een hotel bestaande uit huisjes in en prachtige, schitterende tropische tuin met orchideeën, lelies, gemberplanten, trompetbloemen – you name it – paradijsvogelbloemen en een groot soort Verbenum-IJzerhard, waar de vele kolibri’s dol op zijn. Zij vliegen af en aan in allerlei kleuren om voor de bloemaren te zweven. Schitterend gezicht. Ook tropische mezen, zwaluwen en zelfs een botanische tuin achter het zwembad. Ik ga het morgen uitchecken, want we vertrekken om 12.00 uur pas naar Sarapigi, een rit van nauwelijks twee uur.
*De bekende Palma real, de Koningspalm, vooral bekend van Cuba en het Caraïbische gebied. De zaden lijken op vuurrode eikels.

We hadden nauwelijks tijd om ons te installeren in Arenal Springs 310, want om ½ 6 roll call voor de nachtelijke expeditie naar de voet van de Arenal-vulkaan binnen het natuurpark om de erupties van lava van deze steeds actieve vulkaan te zien. We komen in het pikkedonker aan op een plek waar alle toeristen uit de hele regio verenigd zijn. Overal auto’s en busjes en op de brug, de beste plek, een lange rij mensen met cameraatjes en een lange belichtingstijd. De vulkaanhelling ligt als een zwarte, deels bewolkte, kolossale driehoek voor ons. Teveel wolken, wordt niks, denkt iedereen, soms hardop, maar dat valt mee. De bijna volle maan boven ons en waarschijnlijk Venus en Jupiter in een groot stuk van de heldere hemel aan de andere kant van de hemel.

*Een zeer fraaie ochideeënvorm op het hotel-terrein. Nooit eerder gezien met een naar boven wijzende gesloten schoenpunt of klomp als lip. Ik stel als Nederlandse naam de Klomp-orchis voor. 
*De meest voorkomende orchidee in Costa Rica, overal in voor- en achtertuintjes en daarom ook in onze hoteltuin wordt bamboe-orchidee genoemd en is ingevoerd vanuit Z.O.-Azië. Het blijft een juweeltje. 
Midden op de donkere heling van de Arenal-vulkaan is een heel klein oranje vlekje te zien. Dat is een klein beetje oplichtende lava die uit de helling van de berg tevoorschijn komt. Het maken van deze foto was heel spannend en helaas is dit ons beste resultaat met ons bescheiden  cameraatje.
En daar is het: door de wolken heen zien we feloranje lava gloeien, soms puntjes voor een paar minuutjes, soms langere streepjes die ook een beetje bewegen. Een of twee keer zien we het uitspugen van lava uit de top van de vulkaan. Niet veel en niet hoog, maar duidelijke waarneembaar. Ine slaagt erin met een B-tijd van 2 min een rood puntje op een foto te krijgen.

En dit is de Arenal-vulkaan bij daglicht, gezien vanuit het terrein van ons prachtige hotel Arenal Springs. De top is hier onbewolkt, hoera!
 De duidelijke, kleine eruptie mist ze net. We staan daar op een smalle richel op de brug van 18.00 uur tot 18.45 en gaan dan eten bij La Chaza Laurel Inn of zoiets. Dit is een groot, goed georganiseerd restaurant, waar je wel op banken en aan schraagtafels moet zitten. Ik eet Lomo a la pailla, medium tot well done, 300 gram, en het is heerlijk na een ‘Ron centenaria’. Met sla en frietjes. Ine nam Espagghietti Primavera, ook goed, maar ze krijgt van mij nog een forse schijf vlees. Het is een lange dag geworden voor een simpele verplaatsing, want pas om ½ 10 kunnen we van ons tropische huisje in de tuin genieten. Ik kan maar tot 23.00 uur schrijven, want we moeten om 06.00 uur vertrekken naar Caño negro, niet te verwisselen met Coño negro. :-).

BUNTER

zaterdag 20 november 2010

De Waerelt volgens Bunter XXVI

Het licht
van
Tromsø


Uitersten raken elkaar. Dat is een waarheid als een koe in mijn en jullie taalgebied. Het betekent ondermeer dat hoogbegaafden of mensen met heel veel talenten ook veel meer risico lopen om totaal te mislukken in het leven, gevaar lopen in een kartonnen doos onder een brug bij 15 graden droge vorst terecht te komen, omdat ze niet van de drank of de coke konden afblijven. Of hun leven moeten slijten als stamgasten op een gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis, waar hen elke dag een kleine handvol pillen wordt uitgereikt, zodat ze niet tot het volle bewustzijn van hun ellendige toestand komen, uiterlijk kalm blijven en braaf hun gestoomde piepers pletten en ingedikte yoghurt naar binnen slobberen. Deze omslag van superintelligentie naar depressie of schizofrenie is des te plausibeler nu blijkt dat ernstige aandoeningen als schizofrenie met wanen en psychoses niet die fysieke basis in de hersens van de patiënt hebben, die men lang dacht. Sommige psychische aandoeningen zijn waarschijnlijk geen onveranderlijke en/of ongeneeslijke afwijkingen, maar geestelijke toestanden als gevolg van wat iemand meemaakt in zijn leven: een overmaat aan onzekerheid of stress, een martelende hang naar perfectie, een ijskoude liefdeloze opvoeding.

Geniaal of knettergek zijn buren. Bedreigend klinkt het, maar er zit ook een enorme bak troost bij. Immers als G en G zo kort bij elkaar wonen en het genie van huisnummer 52 per vergissing of in paniek of op basis van verkeerde verhalen achter de voordeur van de gekke buurman op nummer 50 terecht komt en daarmee in een soort psychotische hel, dan moet het ook niet zo heel moeilijk zijn om hem of haar weer snel naar het goede nummer te loodsen. Bijvoorbeeld door de onderste prikdaad tussen beide pijpenlalange achtertuinen helemaal achterin op te trekken en de lijder of lijdster aan een been of een arm in de goede tuin te trekken en daarmee in het goede huis. In die tuin, waarin geen bladeren worden geblazen met die lawaaierige omgekeerde stofzuigers, waarin geen tegels worden doorgeslepen met gierend gillende flexschijven, waarin geen paranoia tegen onkruid heerst of niet om de drie dagen gras gemaaid wordt. Neen dan, een tuin waarin gelukzalig naar een nog onbekend ingewaaid bloemetje gestaard wordt, waarin elk jaar drie weken lang walnoten geraapt worden en vervolgens uitgedeeld. Waarin bedreigde bermplanten naar hartenlust kunnen woekeren, mollen de kop af en toe mogen opsteken en egels blad- en takkenhopen voor hun winterslaap vinden nadat ze een hele lente en zomer knorrend, snuivend en rommelend van genoegen hun buik hebben kunnen volstouwen met slakken, regenwormen en pissebedden.

Welnu, in deze tijd van afnemend daglicht krijgen best wel veel mensen last van verstoring van hun slaap-waakritme omdat hun melatonine-serotonine-hormoon-huishouding daar gevoelig voor is. Melatonine is het inslaaphormoon, dat vlak voor bedtijd piekt. Serotonine zorgt voor het gevoel van lekker ontspannen in je vel zitten. De productie van beide stofjes ergens in de hersens wordt op een nog onbegrepen manier aangestuurd door de hoeveelheid licht die in de ogen valt. Is er te weinig daglicht, dan kan dat leiden tot vermoeidheid, onlustgevoelens en angsten. Daardoor denken deze gevoeligen dat ze nergens meer energie voor hebben of een vreselijke nog niet ontdekte terminale kwaal onder de leden hebben, waardoor onverbiddelijk hun persoonlijk einde der tijden in zicht komt. Er zijn er die wegzakken in een modderput vol wanhoop en verbijstering. Over een week of zes beleven we de kortste dag rond 21 december. Die dag begint het ongeveer al tussen drie en vier uur in de middag te schemeren, terwijl het pas laat in de ochtend goed licht wordt in het oosten.

 Gelukkig is dat nog een weelde, vergeleken met de toestand in Noord-Noorwegen, Zweden en Finland, waar binnen de poolcirkel zich het natuurlijke verspreidingsgebied van winterdepressies bevindt. Daar wordt het rond medio december helemaal niet licht, al lijkt de lucht lichtgrijs te worden tussen 12 en 1 uur, wintertijd. Vandaar ook dat de Universiteit van Tromsø (Je hoort: Tromzeu) in het achterland van de eilandengroep Lofoten over een groot centrum voor lichttherapie beschikt. Lysterapi (hoor: luusteràpi, enigszins zangerig uitgesproken). Als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Tromsø is voor ons niet naast de deur. Ik heb er ooit heen willen reizen voor mijn krant in enig najaar om mijn lezers te vertellen, hoe ze hun winterdip te lijf kunnen gaan. Het telefonisch contact was al gelegd, maar het was te duur, zeiden de toenmalige leiders van de redactie.
                                              * Pandora opent haar doos
Deze lysterapi, daarmee worden vooral immigranten geholpen, die in het hoge noorden zijn komen wonen, of buitenlanders die er voor hun werk een paar maanden of een paar jaar moeten wonen. Het is namelijk gebleken, dat IJslanders en Noord-Noren die al vele generaties lang de duistere poolwinter meemaken, een soort aangeboren afweer tegen winterdepressies hebben opgebouwd in hun genen. Wat is de natuur toch vindingrijk, denk ik dan als amateur-bioloog. En medicus ben ik ook niet, maar wel ervaringsdeskundige, omdat een stuk of vier putdiepe depressies mij niet bespaard zijn gebleven. Mijn goede raad aan iedere moedeloze na drie donkergrijze dagen binnen zitten met die hozende regen buiten en mogelijk met modderwater in huis of in de kelder, is deze. Ben je mistroostig, misschien wel wanhopig of angstig, meld je bij je huisarts met je klachten. Probeer daarnaast minimaal een keer per dag ruim een uur buiten te zijn.

 Maak een wandeling door wijk of dorp in een rustig maar beweeglijk tempo. Neem iemand mee als gezelschap, een vriend, vriendin of kennis of desnoods de hond. Mat je niet af, maar beweeg in een lekker tempo. Kijk veel omhoog, zodat het daglicht in je ogen valt. Je hoeft niet recht in de zon te kijken, als ze zichtbaar is. Liever niet want het is slecht voor je ogen. Baad je gezicht in het daglicht, alsof je onder een douche staat. Praat over wat je terneerdrukt; spreek je gedachten uit, al zijn ze nog zo zwartgallig. Op deze simpele manier kun je een goede basis leggen om je hele bio-systeem weer lekker aan de praat te krijgen. Geforceerd vechten tegen droevigheid hoeft niet steeds. Soms is het mogelijk een beetje te genieten van wat negentiende-eeuwse dichters ‘spleen’ noemden of ‘Weltschmerz’, een soort onbestemd, vermoeid onbehagen.

Uit onderzoek is gebleken dat vooral jongeren, bezig met voortgezet onderwijs vaak aan depressieve gevoelens lijden. In Japan en de VS vooral komt zelfdoding in die leeftijd veel voor, omdat vanuit het onderwijs veel te veel gevraagd wordt van de jeugd. Altijd de hoogste punten, altijd de beste sportprestaties en huiswerksessies van zo’n zes uur per dag. Heel hard NEEN zeggen tegen veeleisende leraren, kan lang niet iedereen. Daarom: buiten lopen, kletsen, het hoofd in de nek. Probeer elke dag zo’n gaatje vinden, zelfs al voel je je alleen nog maar een klein beetje terneergeslagen.

En denk zo nu en dan eens aan het prachtige oude verhaal van Pandora en haar vreselijke doos. Pandora, dat wil zeggen de vrouw die met alle talenten begiftigd is , was een beeld dat de goden in de Griekse oudheid aan de mensen aanboden als geschenk. Een soort robot, want Pandora was levenloos, maar kon toch bewegen, een gesprek voeren en zich zeer bevallig voordoen. Zij was het bedrieglijke instrument, waarmee de oude goden wraak wilde nemen op de mensheid, omdat die te slim zou zijn geworden en niet meer geloofden in het bovennatuurlijke. Zo had ene Prometheus in zijn technische hoogmoed ervoor gezorgd, dat mensen het vuur konden gebruiken door het met behulp van een smeulend riet te stelen van de vlammen van de zonnewagen op de Olympusberg.

Pandora droeg een grote doos voor zich uit en natuurlijk waren er nieuwsgierigen die wilden weten wat daarin zat. De deksel ging eraf en een afschuwelijke stoet van onheil kwam vrij: vreselijke ziektes, watersnood, misoogst, hongersnood, aardbevingen, branden, wereldwijde honger. Pandora liet in afgrijzen de deksel weer vallen, maar alle kwalen waren al de wereld ingevlogen om de goden aan hun wraak op de mensen te helpen. En toen klonk er onder de deksel van de doos nog een klein zilverachtig stemmetje: “laat mij er nu ook uit, asjeblieft!!” Weer opende Pandora haar doos en daar vloog op grote, sneeuwwitte vleugels het engeltje van de Hoop achter al die rampen aan. Ze was een allerlaatste geschenk van de goden, die spijt hadden gekregen van hun wraakzuchtigheid. De boodschap is duidelijk: hoe dieper de put, hoe langer de ladder om er weer uit te komen. Hoop is altijd een deel van wanhoop. Stel je toch eens voor: over iets meer dan vier maanden begint de lente!!

BUNTER

maandag 30 november 2009

Bunter in de tropen VI


                                             Bunter tropical

In een tropische tuin
op een koloniale avond



Maandag 10 november 2008.


                                Op de porch...
               
Arenal, Hotel Arenal Springs, 22.25 uur. Op de porch achter ons huisje 310 van Hotel Arenal Springs met donker uitzicht op de vulkaan op ± 4 km, rose bougainvillea, rode dwergbanaantjes in tros aan de plant, felgele hibiscus, vol in bloei op 3 meter, gesjirp van cicaden om me heen.
 Sigaartje aan, kortom de ideale, koloniale tropennacht. Heerlijk! Om een klein stukje te schrijven over deze nieuwe dag in Costa Rica. Om half negen vertrokken uit het natte nevelwoud bij Santa Elena; prachtige oerwoudervaring, maar niet zo’n mooie huisjes, wel fijn eten in de kantine, maar tropische klamheid overal. Zodra we de Monte Verde waren afgedaald via dezelfde weg van aankomst werd het gelijk 10º Celsius warmer tot een qua gevoel 25º C. Ine ontdekt bij de laatste badkamercheck een bruine vlek in de vloerhanddoek: het is een dikke, geplette kakkerlak, waarop we gisteravond zijn gaan staan. Bah. Bye bye Las Cipreses.
Marsja vraagt voor mij de naam van de opvallende kastanjebladboom uit het tropische nevelwoud. Hij heet in het Spaans ‘Guarumo’ zegt chauffeur Max en Marsja weet dat deze boom geliefd is bij luiaards. Om 10.05 lopen we in de afdaling 20 minuten vertraging op, opnieuw door wegwerk. Met een dragline legt men een nieuwe richel aan onder langs de helling om te voorkomen dat steenslag en rotsblokken bij hevige regen rechtstreeks op de weg vallen.





 De gravers veroorzaken wel nu bij hun werk veel losse stenen op de weg en Max moet in actie komen om te ruimen. Wij mogen niet helpen, zegt hij; te gevaarlijk. Onder applaus vertrekt hij tussen de steenslag door.
Bij het oponthoud zien we mooie vlinders fladderen: een grote gele, twee groene en nog wat kleins. Tussen 11.30 uur en 12.00 uur koffiepauze in Las Cañas.


                                                                                                        
                                                     De kerk van Las Cañas.
                                                                                                   


 Wij wandelen door een klein parkje bij een kleurige kerk vol mozaïek, modern, en nemen cola en fris mee, omdat de koffie veel te lang duurt. Dat levert weer een kwartiertje vertraging op. We zitten intussen weer op de Pan-American-highway/2baansweg. We slaan af richting Arenal Lake, een gigantisch stuwmeer van 32 bij 5 kilometer, aangelegd in 1979 voor waterkracht. Hier staan ook heel wat windmolens, moderne, op de heuvels en hellingen. Goed zo, Costa Rica!

Marsja waarschuwt uit te kijken naar toekans, neusbeertjes en andere dieren en inderdaad binnen 5 minuten spot Max twee toekans in en hoge, dode boom. Ze vliegen in hun mooie gestrekte stijl al snel weg, als we allemaal naar buiten gaan. Alleen de boys met hun snelle spiegelreflexca’s krijgen ze op hun schermpje vastgelegd. De vogels zijn opvallend klein en ze zijn te ver weg om hun kleuren goed te kunnen zien. Verderop zit een neusbeertje in de berm. Het beestje is zo gewend aan toeristen dat hij zich met de hand laat voeren. Ik ontdek nog een prachtige opengesprongen vrucht aan de rand van de vegetatie (fel oranje) en een dikke groenzwarte tropische spin in een web.








Ook staat er Mimosa pudica te bloeien (Kruidje- roer-me-niet) dat precies goed reageert op aanraking: blaadjes dubbel klappen, takje omlaag brengen. De avond beschrijf ik morgenmiddag. De lunch, de vulkaan en het avondeten. We gebruiken rond 14.00 uur bij Macadamia met een terras uitkijkend op het meer van Arenal, maar niet op de vulkaan. Macadamia is een tropische noot met een schil die harder is dan die van de walnoot. Op het terras ligt een dikke laag van die nootschillen. De eigenaar van de uitspanning kweekt deze noten. Vandaar.

BUNTER




Luxe in Arenal SpringsBloemenweelde