maandag 27 augustus 2012

De Waerelt volgens Bunter XXXIII

Weeskind   FOTO WIKIPEDIA
Huismoedertje  FOTO WIKIPEDIA



Huismoedertje 

en rood weeskind

Dat gaat niet samen, hoor ik iedereen meteen eigenwijs zeggen: het zal hooguit een halfwees zijn, want het kind heeft nog een huismoedertje, toch? Niet dan? Och, toch. In de natuur is veel, zo niet alles mogelijk. Zowel Huismoedertje als Rood Weeskind is de naam van een nachtvlinder.
  Nog geen week hebben we dit jaar echte lekker warme zomer gehad in ons land met verzengende dagen en nachten zo warm, dat je naakt onder alleen de lege dekbedovertrek kon slapen. Want bovenlakens zijn net als dekens verdrongen door de dekbeddenhype.
Het zal dit jaar een vroege winter worden, want dezer dagen al trekken hele volksstammen insekten en spinnen ons huis binnen. Een van hen was Huismoedertje, dat ik enkele weken geleden alweer als een donkere driehoek doodstil hoog op het opengeschoven slaapkamergordijn zag zitten, toen ik tegen middernacht ons bed opzocht. Nu heb ik een doorzichtig plastic vangbuisje voor interessante vliegend kevers, vlinders en ander gedierte. Het dekseltje van dat entomologisch hulpmiddeltje is een sterk vergrootglas, waardoor je de gevangen griezel nog vijf tot tien keer kunt opblazen op je netvlies. Huismoedertje wist in eerste instantie te ontkomen in een chaotische, onvoorspelbare, typische nachtvlinderfladder richting onderkant bed. Ik kwam de schat al de volgende ochtend op de benedenverdieping hoog op de muur in onze zitkamer tegen. In het stalen ochtendlicht en waarschijnlijk doodmoe van de ontsnapping liet Huismoedertje zich vangen in het harde plastic. Door aanvankelijk paniekerig gefladder in het busje liet ze alle preutsheid varen en kreeg ik zicht op haar kleding onder die bruine oppervleugeloverjas. Een mooie scherpomrande bruine band over een lichtoranje ondervleugel, rondlopend met de zoom zal ik maar zeggen.

Een Huismoedertje schrikt af  met felle kleuren   FOTO WIKIPEDIA


Geen twijfel mogelijk: Noctua pronuba L. alias Huismoedertje. Een veel voorkomende nachtvlinder, levend als rups van lage kruiden en gras in de tuin of waar dan ook en altijd nieuwsgierig naar licht in de nacht. Kruipt als volwassen rups in de grond en verpopt daar pas als de lente komt om vervolgens na die mystieke metamorfose als vlinder uit de grond te kruipen en op zoek naar seks te gaan met zijn of haar voelsprieten. Natuurlijk laat ik Huismoedertje na gedegen studie van haar onderkleding vrij in de straat, waar ik woon. Ze maakt zich snel uit de voeten, vrolijk fladderend.
En wat een verschil in naamgeving. Huismoedertje in het Nederlands, maar nachtelijke bruidhelpster in het Latijn van Linnaeus. Een lief klein vrouwtje, dat ’s middags op haar schoolkinderen wacht achter een geurig theepotje en met een schaal vol bammetjes. Of een ervaren, rijpe vrouw die midden in de nacht voor de bruiloft de bruidstranen dept en de jonge vrouw in haar laatste nacht alleen niet enkel voorlicht en geruststelt, maar ook tips geeft om de eerste huwelijksnacht en het feest zo rielekst mogelijk door te komen.
  Ik kies voor Huismoedertje, al trof ik haar op onze echtelijke slaapkamer. Noctua, de nachtelijke, deed me denken aan mijn eigen moedertje en de dag dat ik wees werd, nu alweer 13 jaar geleden op een late maartse dag van een mooi voorjaar. Volkomen onverwacht en precies zoals mijn moeder zelf zei, als ze hoorde van een kennis of een vriendin, die plotseling uit het leven vertrok. “Daar teken ik voor”, en dat deed ze dan ook op die vroege zaterdagmorgen eind maart 1999.
  Volkomen logisch dus, dat ik ruim een week later ’s ochtends vroeg bij het opentrekken van de gordijnen achter een lichtbruin vallend blad diagonaal achter het glas zag valfladderen, schuin naar beneden. Toen ik mijn fiets naar buiten schoof om in Maastricht op zondagmorgen Gods lof te gaan zingen vanaf tien uur in de Hoogmis, zag ik een fraaigeaderde beige-bruine vleugeldriehoek, hoog in de oksel van de raamuitsparing rechts, roerloos op de metselsteen zitten. Bij het overfladderen meende ik op de ondervleugels van dit creatuur de kleuren donkerrood en wit gezien te hebben in een flits. Als ik terugkom van het Maastrichtse gezang, zit het Weeskind weer op zijn plek van oorsprong, links, echt een knots van een nachtvlinder. Ik besluit het dier, net als Huismoedertje te vangen in mijn plastic busje, maar ondanks de rusthouding, blijkt het beestje zeer alert. Ik haal de aluminium keukentrap van zes treden en klim op mijn gemak met vangbuisje in de aanslag naar boven.
Weeskind heeft me echt zien aankomen, want als ik mijn voeten voorzichtig op de bovenste tree zet en daartoe even naar beneden kijk en het dier even loslaat met mijn ogen, juist op dat precieze moment weet Weeskind te ontsnappen. Want ik kijk weer op en wil toeslaan, zogezegd, en Weeskind is nergens meer te bekennen. Achter me hoor ik dan onrustig fladderen en ja hoor, Weeskind probeert weg te komen door onze achterkamer binnen te vliegen, maar wordt door het glas gestuit. Ik zie nu duidelijk de kleuren van zijn/haar ondergoed: donkerrood, ’n zwarte band en een randje helderwit. In die kleuren gingen vroeger de Amsterdamse weeskinderen van het Burgerweeshuis uniform gekleed, vandaar de naam. Die zat al in mijn hoofd en blijkt na enig bladerwerk ook te kloppen.

Weeskind 'flasht' zijn of haar felgekleurde ondergoed. FOTO WIKIPEDIA


 De functie van het felgekleurde ondergoed is niet het aantrekken van partners om mee te paren, zoals je zou verwachten, omdat dat de voornaamste functie is van de vliegende fase van dit dier. --Is nu de vretende rups het voornaamste dier of is het de vlinder?-- De kleuren van zowel Huismoedertje als Weeskind zijn bedoeld om plotseling zichtbaar te maken door het wegtrekken van de bovenvleugel en zo hapjesjagers als vogels in verwarring te brengen. Deze fladderaars hebben maar een fractie van een seconde nodig om zich uit de voeten te maken en het vege lijf te redden.
Tot zover mijn gedachten bij deze ontmoetingen in het dierenrijk. Ik zie nachtvlinders niet als boodschappers uit het hiernamaals ook ken ik ze geen duidende of voorspellende waarde toe. Ik geniet vooral van hun gedrag, hun kleuren en hun mooie namen. En hun vermogen te overleven. Zo komen Weeskinderen zelfs de strengste winter door als simpel eitje, door hun moedertje vastgeplakt op de stam of op een takje van populieren, notenbomen en nog enkele andere boomsoorten. Eigenlijk onvoorstelbaar, dat zo'n kwetsbaar leven niet door en door kapotvriest. Ik heb een walnotenboom in mijn tuin en enkele dikke populieren in een aanpalend plantsoen. Dus daar houden die Weeskinderen zich vast aan het leven, als wij mensen lopen te rillen. Het is daarom jammer dat zoveel mensen deze en andere nachtvlinders voor ‘motten’ uitschelden. Dat is nergens voor nodig! Doe dus niet zo mottig meer!

BUNTER
  

zondag 26 augustus 2012

Bunter in de tropen XIV

Trotse Bri-bri-moeder met bangig kindje  FOTO BUNTER

Een naar verluidt meer dan honderdjarige Indiaan in het Bri bri-dorp poseert in zijn hangmat. FOTO BUNTER

Bij de nakomelingen

van de erflaters

van Costa Rica:

Bri bri en Kekoldi

Cahuita, maandag 17 november 2008. En dan is het nu maandag 17 november 2008, 17.45 uur, op de porch van Atlantida Lodge no 20, in Cahuita een plaats in de uiterste zuidpunt van Costa Rica aan de Caraïbische kant, vlakbij de grens met Panama. Vandaag zijn we met 20 mensen naar de Kekoldi en de Bri bri geweest, de oorspronkelijke Indianen die C R bewoonden, dwz hun afstammelingen. Er leven nog 60.000 Bri bri in C R en wij bezoeken twee families aan de rand van hun reservaat, waar niemand grond kan kopen, omdat hij volgens de Grondwet eigendom is en blijft van de Indianen. We vertrekken om half negen met een klein busje met als gids en zwarte rastaman in een blauw T-shirt, luisterend naar de naam Gustavo. Hij is een zeer goede gids en de eerste die echt iets van planten weet.

Onze gids Gustavo lacht naar een kalebas. FOTO BUNTER



20.35 uur op hetzelfde terrasje voor no 20. Ik heb net mijn plekje in de tropische natuur terugveroverd door drie zwartronde duizendpoten van de muur achter mij te verwijderen en 1 tropische schietmot met zwart-oranje vleugeltjes plat te slaan en te stompen. RIP todos. Ik steek een tuitknakje op tegen de muggen. Kekoldi is de naam van de eerste stam die we bezoeken. De naam betekent kekol-boom en di-rivier, dus mensen die leven langs de rivier die tussen de bomen doorstroomt. De Boomrivierders op zijn Hollands dus. Bri bri, ons tweede adres, betekent: land van de dapperen.

Het gerookte bladerdak van een Kekoldi-langhuis. FOTO BUNTER 

 Als eerste wijst Gustavo ons op het dak van palmbladeren van een tropisch paalhuis van de Indianen. Normaal houdt zo’n droogbladdak vijf jaar stand en dan is het opgevreten door insecten, waaronder termieten. Door binnenshuis een vuurtje te stoken wordt het dak ‘gerookt’, blijven de insecten weg  en gaat het dak 25-30 jaar mee. Dat is nog altijd korter dan onze betonsneldekpannen. 

Wie wil er nog een kalebasje? FOTO BUNTER.


We zien een kalebasboom met grote ronde of langwerpige vruchten, de ronde perfect rond en glanzend. Dat zijn de napjes, de flesjes en de watervaatjes van de indianen, waarin de vloeistof zelfs in de felste zon altijd fris blijft.



 Leguanen te
 kust en te keur
 in alle formaten
 en kleuren.
FOTO's BUNTER


 We komen bij een iguanafarm. Dat is de plek waar indianen leguanen opfokken om ze uit te zetten in het wild. Leguanen leggen hun eieren net als schildpadden in de zachte modder of het zand bij water. Schildpadden bij de zee op het strand, leguanen langs rivieren. De Kekoldi graven ze uit, stoppen ze in een primitieve broedstoof onder zwart plastic en zetten de jonge diertjes uit als ze groot genoeg zijn en de juiste blaadjes hebben leren eten. In verschillende leeftijden zitten de diertjes bij elkaar in grote kooien in het midden van het dorpspad. De Kekoldi worden gesubsidieerd door de overheid van C R voor dit project. Tot in de jaren zeventig joeg de plaatselijke bevolking nog op leguanen voor het vlees dat smaakt als kip en toen ze er ook in gingen handelen, roeiden ze de dieren bijna uit, vertelt Gustavo. Ze waren te arm om in de supermarkt vlees te kopen, zegt G. Er zijn nu sinds 1980 in totaal 36.000 leguanen in het wilde bos – een mix van primair en secundair regenwoud – uitgezet.

Musa dapientum, iets heel aparts in bananenland. FOTO BUNTER

 Hij wijst ons op een boom met en tros roodachtig/groene bananen. Een cultuurvariëteit van het Musa-geslacht. Gustavo pleit voor de fair-trade-bananen en tegen de plantagebananen van Delmonte en Chiquita die in te korte tijd worden opgefokt met kunstmest en landbouwgif. “Ze hebben hun oorspronkelijke smaak verloren”, zegt hij. “Een echte banaan heeft 6 tot 9 maanden nodig om te groeien.” De rode banaan heet Musa sapientum. De bananenplant maakt om de zes maanden nieuwe scheuten, zodat er altijd een dragende plant en een opgroeiende plant bij elkaar staan. (In de marge: Dit wil zeggen scheuten als wortelopslag. Eén nieuwe scheut in zes maanden die zelfstandig verder kan. Banaan wordt dus vegetatief vermeerderd. Ik vergat op dit punt te vragen hoe het met het bananenzaad zit en of dit gewas nog ontwikkeling kent door genetische recombinatie via bestuiving. Of dat alle zaadvorming is uit- en weggekruist. Gezien de rode banaan moet er toch nog veredeling en kruising mogelijk zijn.)
Hij laat ons ook een kinaboom zien en geeft me de vrucht van een nootmuskaatboom. Allemaal zo’n bekende dingen, waarvan we nu de oorsprong meemaken. Ik krijg er koude rillingen van. 
De tapissadores/ behangers  FOTO BUNTER
Het platte blad, dat tegen ronde boomstammen omhoog groeit, noemt hij ‘tapissadores’, behangers, tapisseerders. Hij legt ons ook het verschil uit tussen de Pipa met dun en zacht vruchtvlees en lekker fris vruchtwater en de grotere kokosnoot met kokosmelk en dik, hard, wit vlees. Gustavo is een geweldige gids. Hij wijst ons ook een palmsoort met rode vruchten als de ‘palma real’, waaruit de Indianen ‘palmhart’ winnen, het merg van de stam.

Glibberen in het oerwoud:

FOTO's BUNTER





Omdat er een windje opsteekt, de lucht betrekt en G. bang is voor regen, doen we nu eerst de jungletocht naar de waterval. Een smal pad, steil op en af over glibberige keien en modder, twee keer door een riviertje over gladde keien. Op een punt komt het water tot aan mijn korte broek, vlak voor de waterval. Ine ziet op deze korte trekking tegen een boomstam een geheel felrood kikkertje,

Ja, daar zit-ie toch!! FOTO BUNTER


 niet de blue jeans, maar duidelijke een ander. Alweer een item af te vinken! Goed zo, Ine, op de foto ermee!
--- Er zitten leguanen op ons dak. Een schuift er met veel kabaal over de golfplaat naar beneden, valt in onze binnentuin en maakt zich heel snel uit de voeten. Ik zie een beige rug van het dier en Ine een lange spitse staart. We besluiten tot een leguaan. Een tweede dier maakt zich over het dak uit de voeten. We schijnen met het zaklampje in het donkergroen, maar zien niets meer. ---
Tot twee keer toe glijd ik helemaal uit en vangt Gustavo me op tijd op. Ik val niet. Wel Ria op haar kont op de gladde steen. Het heeft niet veel geregend en daarom is de waterval van ±40 meter hoog maar 30% van de grootste omvang. De plek is een jungleparadijsje. Als we terug op het oerwoudpad bij het busje zijn, is er vruchtsap, een vruchtensalade en een heerlijke sandwich (een broodje) met sla, tomaat, kaas en ham. Een junglelunch rond twaalf uur. We worden ingehaald door een jong stel uit Orange County ten zuiden van LA in Californië, die op quads (vierwielers, laag) onderweg zijn met een rastagids met lange dreadlocks over zijn hoofd gedraaid. Zeer Caraïbisch.


Dappere Dodo!! FOTO BUNTER


Dan gaan we naar de Bri bri’s over een lange hangbrug met lage leuning en planken niet te hoog over een oerwoudstroom. Ine durft bijna niet maar gaat toch. De dappere! We bezoeken een soort ‘long house’, traditioneel, met een varken eronder, vrij liggend en lopend, niet zo dik als dat wat we bij de Kekoldi zagen.
Kekoldi Dorpsstraat met kalkoenen. FOTO BUNTER 


 Deze hielden veel kalkoenen en kippen. Die kalkoenen gaan ook hier, bij het horen van gefluit, hoog, fel en klokkend te keer. Enkele dames maken een foto en schrikken als de dieren luid en fel klokkend naar voren schieten op een rijtje. We gaan een bri-bri-grondhut van bladeren en hout binnen en later dat ‘longhouse’ met buigzame vloer van speciale houten planken. Er ligt een opa van 106 in een hangmat. We mogen foto’s maken tegen betaling van een fooi. Altijd eerst netjes vragen, zegt Marcha.
Gustavo laat op zijn onderarm en elleboog enkele littekens zien van een soort steekvlieg die eitjes onder je huid perst, waarna de larven in en soort vleesgal te keer gaan onder je huid: zwelling, pijn kapot weefsel enz. De Spaanse term eindigt op een lettergreep met ‘m’ en zal zoiets als ‘buil’ betekenen. Op de terugweg bij de oversteek van een junglestroompje. Eindelijk een echte blauwe Morpho (dat is een enorme, felblauwe tropische vlinder) secondelang in beeld. Hoi!
Nu ben ik toch een echte freak in kleine talen en vergeet ik me daar de eerste bribri-woorden in dit verslag op te nemen. En je kunt ze nog wel in fonetisch Nederlands spellen, want volgens Gustavo was het een Nederlander die hun taal als eerste te boek stelde. Bwa betekent goed en bwa bwa is het antwoord op de vraag: hoe gaat het met je? Die ook weer eindigt op bwa bwa? Tot straks in het Bribri is bër bër pa, uitgesproken als bèr bèr pa. Ik zag het staan op een kunstig bewerkt kalebasje in de toeristenhut van de Bribri waar we ook Spaans spraken met enkele vrouwen met een leuk kleutertje, het meisje Suzannah (4-5) in een blauw jurkje, de latere plantenman en nog enkelen. Heel, heel leuk! Dit zijn dus de erflaters van dit schitterende land, de makers van al dat mooie goud in het Museo del Oro in San José.
 Onze Indiaanse plantenman met zo te zien weer en griezelig verhaal. FOTO BUNTER

De plantenman van de Bribri’s leidt ons rond, nadat Marcha een kleuter op de arm heeft gehad en wij een paar souvenirs, waaronder chocoladebolletjes hebben gekocht ( en kleine kunstig bewerkte kalebasjes). Deze man die erg veel op een Javaan, een echte oosterling,  lijkt (zijn haardracht?) breekt voor ons een cacaopeul open, een verse van de boom. Ik mag op een zaadje sabbelen van een niet nader aangeduide struik en krijg dan een hele zure, groene citroen te eten. Rinus gruwt ervan, zo zuur is hij, maar in mijn mond is hij voor 90%  echt zoet op een klein zuur randje na. Dat is de Indianenmanier om zure vruchten te eten. Eerst het velletje van het ‘wonderzaadje’, zoals G. het noemt, afsabbelen en de pulp eronder door de mond laten gaan, dan is alles, zelfs ‘sour cane’, voor mij zoet, twee uur lang. (sour cane is een tropische plant, die internationaal luistert naar de Spaanse naam Caña agria en de Latijnse Costus spicatus. De plant, een gemberachtige, met prachtige witte bloemen die na elkaar uit een typische rode gember-aar tevoorschijn komen, staat bekend als een geneesmiddel voor een hele reeks aandoeningen. Het stengelsap is extreem zuur en de bladeren staan in de vorm van een spiraal geordend aan de stengel, helemaal rond lopend om zoveel mogelijk licht te kunnen opvangen. G. noemt deze plant hier bij zijn volksnaam; een eerdere oerwoudgids vond deze plant in het woud en wees ons erop.)

Bunter bijt door een superzure citroen na het wonderzaadje. FOTO BUNTER

De Costaricaanse regering bouwt in dit dorp woninkjes van beton voor de Indianen. Die vinden zo dicht en zo laag bij de grond wonen helemaal niks en zijn daar boos over. Een beetje als bij ons, waar mensen uit een woonwagen in een burgerhuis gedwongen worden. De meeste Indianen laten het beton links liggen of gebruiken de huisjes als opslaghok voor vanalles.
Gustavo laat ons nog de Apenbroodboom zien. De gebakken vruchten smaken als vers brood en worden hier ’s ochtends met marmelade en vruchtenmoes als ontbijt gegeten. Hij wijst ons ook op een flinke heuvel, die vanaf ons CR-junglepad al te zien is als Panamees gebied.

De plantenman van de Bribri liet ons weten geen ‘chicha’ meer te maken van maïs. Er werd teveel ruzie over gemaakt. Deze chicha is sterke alcohol, gestookt van maïskorrels. Volgens Gustavo was deze sterke drank oorspronkelijk bedoeld om in kleine quanta aan de werkers te velde te geven om hen meer energie te geven. In grote sloten werd het goedje gedronken bij dagenlange feesten en drankgelagen met dans. Dronkenschap door chicha komt na uitslapen van de roes gewoon enkele keren weer terug. Het is zeer sterk spul!!
We ontmoeten een Hollands meisje (hoor ik hier Hollands praten?, vraagt ze) dat aan het begin van het Bribridorpje uit het niets opduikt. Ze noemt haar naam niet, maar ze zegt de Indianen te helpen om logeerkamers voor backpackers te bouwen als additionele bron van inkomsten. “Ik zit hier op het dak en sla spijkers in”, zegt ze beknopt. Ze doet dit voor een ontwikkelingshulporganisatie uit de privé-sfeer als bijverdienste voor haar eigen reis. Voor ± 3 weken. Bribri spreken kan ze nauwelijks.
Gustavo eet termieten. Eerst checkt hij met een stokje of het chocoladebruine nest niet is overgenomen door mieren, steekt dan zijn vinger in het gaatje en stopt zo enkele tientallen termieten in zijn mond. Het doet me denken aan de chimpanseefilms van de man van de Britse Nun of Gombe of… (Dit moet ik opzoeken!!) Nu, bijna vier jaar na het maken van deze notitie kan ik bij het on line zetten van dit verslag de associatie zo uit mijn hoofd invullen: ik bedoel natuurlijk Hugo baron van Lawick, getrouwd met Jane Goodall. Termieten zijn een goede bron van eiwitten in de jungle; zoek altijd termietennesten! Bah!

De plantenman van de Bribri laat ons als laatste ook de kaneelboom zien. Een doodgewone struikboom, waarvan de bast, die om de zoveel tijd droog afvalt ons het heerlijke kruid geeft: kaneel. Kruid is niet het goede woord, specerij is beter. Tenslotte de Rommedoeplant, waarvan de vrucht, vuilwit en in partjes opgebouwd, van boven afgetopt, stinkt als een overrijpe Rommedoe. Afgezien van de stank is dze vrucht best genietbaar, net als de echte rommedoe. Ik heb de juiste naam ergens zien staan, maar weet niet meer waar.
Cacaopeulen, daar zit onze chocola in! FOTO BUNTER

 We zien ook weer veel cacao-bomen met de piepkleine witte bloemetjes op de oude stam en takken en dikke gele peulen, een wonderlijke boom! In een deel van de Indianentuin zijn de cacaopeulen zwaar aangetast door de zwarte schimmel. De mensen hier laten die bomen toch staan om de andere resistent te maken, zegt G. En ook dat sommigen beweren, dat de Amerikanen de schimmel verspreid hebben om in de jaren zeventig de totale cacaoproductie van CR lam te leggen, waarna de grote firma’s uit de VS alle plantages overnamen, behalve de Indiaanse.
De Aristolochia, een enorme bloem, helaas van de achterzijde gezien. Alleen de Rafflesia  arnoldii uit Indonesia is nog veel groter. FOTO BUNTER

Hoog in een boom hangt een Aristolochia-bloem, gespikkeld met geel en donkerrood, wel tien tot vijftien keer zo groot als de kleine Pijpbloemetjes van A. clematitis in mijn tuin. Prachtig. De schuurwond aan mijn kuit, veroorzaakt door de rand van een laars op de blote huid, is weer opengegaan en bloedt onder het gaasje en erdoorheen. De Bribri-plantengids smeert er een papje op van de bast van een heel jonge, kleine cacaopeul en gaat later terug voor een iets grotere om de behandeling voort te zetten. De wond prikt eerst; het papje kleurt op mijn been van groen tot rood en bruin. |De pijn gaat weg.
Bunters kuit is met groene cacaopeulsmurrie behandeld. De wond geneest perfect. Dankjewel Bri bri!! FOTO BUNTER
Tenslotte is er het verhaal van het geschilde nootje, dat als zaad een palmboom met gladde stam doet opschieten, terwijl de ongepelde noot uitgroeit tot een palmboom met ruwe stam. De Indianen geloven het.
Stenen in takvorken helpen tegen slechte gedachten. FOTO BUNTER


 Ook leggen ze stenen in de takvorken van de kalebasbomen om te voorkomen dat mensen met slechte gedachten de vruchten voortijdig doen afvallen. We zijn om 15.00 uur terug in het hotel in Cahuita. Gaan dutten na een vermoeiende expeditie die zeer, zeer interessant was, pakken onze koffers om voor Panama. En gaan om 18.00 uur onze rekening betalen en het volgende ontbijt bestellen. Dan heerlijk eten (Vis (Red Snapper) con arroz con mariscos (zeevruchten) bij Sobre las Olas, bovenop de golven, over de golven heen, whatever, op 500 meter van het hotel, waar de meesten blijven barbecueën.
Het eten in Costa Rica is gezellig, heerlijk en qua locatie zeer bijzonder. FOTO BUNTER.


 Een kleine black-out in het restaurent bederft de pret niet. De dames Ria en Ria en Carola komen erbij zitten. We zitten buiten vlak achter  palmbomen en bij de branding van de Caraïbische Zee. Om 20.00 uur terug in het hotel. Nu gaan slapen. Amen. 22.05 uur.
         
BUNTER

zondag 20 mei 2012

De Waerelt volgens Bunter XXXII



De Luierman:
een ijskoud maar
onsterfelijk lied

Laatst heb ik als lid van een klein gelegenheidskoor een Gregoriaanse uitvaart aan de rand van het arrogante stadje S. gezongen. Bij wijze van afscheid van een gerespecteerde, oudere kennis. Er gaat voor mijn gevoel niets boven een Gregoriaans gezongen uitvaart. Iets korter geleden mocht in een andere koorsamenstelling een uitvaart zingen in de oudste kerk van Nederland. Terwijl de toeristen, zich vergapend aan architectuur, beelden en atmosfeer, bleven rondtrekken in de kerk, was er in een van de dwarsbeuken van de kerk een kleine uitvaart van mevr. P. Ook haar dode lichaam hebben we goede wensen toegezongen: eeuwige rust en opgang naar de hemelse paradijzen aan de hand van engelen en verwelkomd door martelaren onder engelengezang. Een van de toeristen kwam na afloop op de dirigent/organist van ons koortje af met de mededeling dat hijzelf ook wel eens een Ave Maria of zo zong tijdens een uitvaart, maar dat het Gregoriaans hem toch ook erg mooi voorkwam. Het werd niet duidelijk of hij zich als adspirant-koorlid stante pede wilde aanmelden, maar hij was als toevallige passant erg geroerd. Zoveel was duidelijk. Waarschijnlijk was het een Limburgs compliment, met enige omwegen aan ons aangeboden.

IJskoude bloemen: symbool van de Winterreise 


Terug naar het burgerlijke S., naar de uitvaart, waarvan in de eerste plaats sprake was. Wij stonden daar met ruim een dozijn oudere mannen klaar om het intredelied (Introitus, voor de mensen van vóór Vaticanum II, u weet wel, dat concilie van J. XXIII) aan te heffen, toen mijn oor getroffen werd door de begeleidingsmuziek van Schuberts ‘Winterreise’ in het bijzonder het slotlied, nummer 24, dat de titel draagt ‘Der Leiermann’, de buikorgelman, de draailierspeler. Een pianist, geheel opzij van het altaar, speelde het als opvulmuziek in de kerk.
Dit is de tekst van het lied:

      Der Leiermann  24
Drüben hinterm Dorfe
Steht ein Leiermann
Und mit starren Fingern
Dreht er was er kann.

Barfuß auf dem Eise
Wankt er hin und her
Und sein kleiner Teller
Bleibt ihm immer leer.

Keiner mag ihn hören,
Keiner sieht ihn an,
Und die Hunde knurren
Um den alten Mann.

Und er läßt es gehen,
Alles wie es will,
Dreht, und seine Leier
Steht ihm nimmer still.

Wunderlicher Alter !
Soll ich mit dir geh'n ?
Willst zu meinen Liedern
Deine Leier dreh'n ?


Daar staat hij dan, de Luierman, met knurrende Hund

De onsterfelijke muziek van deze liedreeks ‘Winterreise’ is door Franz Schubert (31-1-1797---19-11-1828) gecomponeerd. De tekst wordt gevormd door gedichten van Wilhelm Müller (1794-1827). De moderne exegese van deze gedichtenreeks over een jongeman, die uit het huis van zijn geliefde geschopt wordt en in een strenge winter over de Noord-Duitse laagvlakte gaat zwerven, beschouwt dit laatste gedicht van ‘Winterreise’ als fatale afsluiting van de ijskoude ‘Reise’. De verstoten zwerfzanger komt eindelijk een begeleider tegen die in dezelfde positie verkeert als hijzelf. Hij heeft al 23 van Müllers depressieve dichtsels voorgedragen, gedragen door Schuberts onsterfelijke melodieën en heeft nog steeds geen deugdelijk onderdak of een gastvrije ontvangst gekregen. En deze buikorgelspeler? Lees zelf maar:
Aan de rand van een dorp staat de draailierder te draaien wat hij kan, met blote voeten op het ijs. Maar zijn schoteltje blijft leeg. Niemand hoort hem graag, geen mens kijkt naar hem om. De honden grommen tegen hem. Hij laat alles lopen en toch blijft hij maar doordraaien aan die lier, een ouderwets soort buikmuziekdoos. De zanger, die nog nergens een mooie, jonge vrouw in zwijm kon zingen, herkent zich daarin en vraagt: “Hé, rare ouwe, als we ons nu eens samengooien: jij met je lier en ik met me liedjes. Volgens mij komt het dan helemaal goed, niet?” Ik vertaal het wat vrij en modern, maar ik kan in deze scène absoluut geen ontmoeting met Magere Hein zien. Ook geen weergave van een scène uit de befaamde Dodendans, waarbij Magere Hein alle overleden rangen en standen van de middeleeuwse maatschappij ten dans noodt richting hel of hemel. Ik prefereer een letterlijke benadering van dit laatste Winterreisetafereel. Ik zie een oude man op blote voeten, heen en weer schommelend op zijn benen om niet vast te vriezen. Geen cent te makken, lastig gevallen door grote honden, totaal incontinent en daarom ook uitgestoten, maar wel totaal verslaafd aan goddelijke muziek, zoals die van Schubert. De muziek houdt hem in al zijn armoede en lichamelijke aftakeling op de been. En Goddank, daar komt een zanger in soortgelijke Umstände, Ik weet echt zeker dat die Luierman, ja zo wil ik hem nu noemen, meteen ja heeft gezegd op de vraag van de gedeprimeerde zangert, die net als de orgelman door iedereen gemeden wordt, terwijl hij prachtige liederen zingt. De Luierman gaat niet over doodvriezen of de hongerdood tegemoet gaan. Nummer 24, Winterreise gaat over overleven, doorhouden, ondanks alle ellende, maar vooral dankzij de onsterfelijke muziek van Franz Peter Schubert. Het gaat over de magische kracht van muziek. In deze interpretatie is nr. 24 Winterreise bij uitstek een lied voor een uitvaart. Zo zal het ook bedoeld zijn, dat de overledene aan het slot van de uitvaart op CD of geluidsband nog zelf enkele liederen zong, al vond ik het enigszins macaber.

Franz Peter Schubert
Franz von Schober
Schubert zelf stierf in november 1828 op 33-jarige leeftijd aan buiktyfus. Winterreise was een van zijn allerlaatste composities. Het is overgeleverd dat de bedeesde Schubert, zijn hele leven vrijgezel, ooit één keer door zijn ‘vriend’ Franz von Schober in een dolle bui is overgehaald om met hem in Wenen ‘naar de meisjes’ te gaan. Begein jaren twintig van de negentiende eeuw Daar heeft de componist syfilis opgelopen en dat resulteerde in een zo’n dramatische terugval van zijn algemene weerstand dat de eerste de beste buiktyfusbacil hem kon vellen. Maar niet voordat hij in staat was in zijn voorlaatste jaar nog onsterfelijk mooie liederen te componeren. Ik kan dus met een gerust hart zeggen dat Schubert voor mij nog leeft. En dat geldt ook voor Mozart, Bach, Beethoven, Haydn, Handl en noem ze allemaal maar op uit die gedenkwaardige tijd. Een terechte tirade tegen wat men vandaag de dag als muziek ervaart, blijft hier daarom alleen al achterwege. Is nergens voor nodig. Als een griepje in de lente: gaat vanzelf over, als je maar lekker in je bed blijft met radio 4 aan. Truste iedereen!!
BUNTER                    

Bunter in de tropen XIII



Door de warmte en al het vocht lopen hier de weipalen uit, wortelen en  worden bomen. Foto Bunter


Meer op de
porch dan in
de cabina


Zondag 16 november 2008, 18.15 uur,
 aangekomen in Atlantida Lodge in Cahuita, helemaal aan de Caraïbische kust van Costa Rica. De eerste indruk van het hotel is niet positief. Op de eerste plaats is de kamer – een soort cabine – erg klein en zeer slecht verlicht met een hoofdlamp, een peertje, in een omgekeerd mandje. De fan doet het gelukkig wel. De deur is voorzien van een zeer slecht passende hor en het miegelt hier van de muggen. Dat wordt daten dus. Er is een porch met riante stoelen en goed licht buiten. Daar zit ik nu te schrijven. Maar dit hotel heeft ook zijn kwaliteiten. In de tropische vegetatie rond deze lodge huist en luiaardgezin, pa, ma en een kind, die van heel dichtbij te zien zijn, omdat ze heel laag aan de boomtakken hangen en niet bang zijn.

Een luiaard in het groen, zo lui dat hij een zoekplaatje wordt  Foto Bunter

Boven of onder; wat maakt het uit voor een luiaard?  foto Bunter

De cabinas rijgen zich hier aaneen in een vierkant rond een binnentuin vol tropische vegetatie. Marcha heeft ons gewaarschuwd voor de vermoeide houding van luiheid van het personeel, maar ons eerste contact over het huisje is heel opgewekt. Dat komt waarschijnlijk door de huishond Canella, die vriendelijk om mijn tenen kwispelt en door een mooie, zwarte vrouw met ‘ooldsaajit’ naar buiten wordt gecommandeerd en steeds weer snel terug is. Deze dame is niet kortaf, noch vermoeid. Zij kan nog de uitzondering op de regel zijn. Er zijn hier ook groene kikkertjes met grote, rode oogjes, de nationale kwakker van C.R.

Een intelligente kikkerblik      Foto Bunter

Kikkersex of niet soms? Foto Bunter


Vanochtend zijn we om... (zie verder na de volgende paragraaf)
22.00 uur – We komen net terug van het slot van deze dag: eten met zijn allen bij Chao’s Paradise, dat als echt Caraïbisch werd aanbevolen door Marcha. Ik heb goed doorbakken biefstuk in rode-wijn-saus met salade en Ine prefereert vegetarisch. Het is lekker, maar ik heb weinig te missen. Bij verplaatsing raak ik vermoeid door te veel nieuwe indrukken.  Want intussen hebben we de grotere groene kikkers met de rode ogen gevonden bij het zwembad en de luiaards langs de grote weg laag in een boom. De muziek stond te hard bij Chao en de cocktail (Pura Vida) was redelijk vol met rum. Ik voelde het aan de lamme pijn in mijn armen. Enfin, gelukkig terug op de porch van nr. 20 voor het vervolg van dit reisverhaal.

Er gaat niets boven je eigen waterdichte poncho in de tropen  Foto Bunter
Het kletsnatte vertrek uit Tortuego       Foto Bunter

… 9.15 uur vertrokken in de stromende, nee hozende tropische regen. Na een ontbijt, waarbij ik enkele opmerkingen opving over het uitgaan van de jeugd van ons clubje, gisteravond in de disco van Tortuego. Harde muziek maar wel Caraïbisch, half uur salsa, half uur reggae, half uur merengue enz. Allemaal snelle, lichte ritmes. Geen vrouwen die alleen dansen, niet echt los dansen. Nee, de jongens op de vloer, de meisjes langs de kant, wachtend tot ze gehaald worden. Een soort ouderwetse dansles volgens de een. Maar onze reisbegeleidster vond het behoorlijk dirty dancing, echt seksueel, zegt Marcha. Op de terugweg van de disco in een open boot wordt iedereen zeiknat van de hozende regen.
De afrekening van twee dagen hotel valt iedereen tegen: ruim 200 dollar voor ieder koppel. De drankjes à 2,75$ of 5,50 $ hebben er behoorlijk ingehakt. We gaan dus weg, allemaal ingepakt in eigen of geleende poncho’s in een dichte boot. ()
Ine slaakt een gilletje: een grote, groenbruine kikker zit op de rand van het zitvlak van haar terrasstoel. Hij is groot, maar ook heel plat. Ine maakt een foto en dan schuif ik een foldertje onder zijn achterpoten. Eerst neemt hij een klein sprongetje en dan een enorme sprong van anderhalve meter over het pad heen in het groen. De regen begon zaterdagavond om 22.00 uur en iederen van het personeel zei: niets bijzonders, het regent hier heel vaak. We hebben dus enorm geboft met onze twee zonnige dagen in Tortuego. Het terrein is echt doordrenkt  en overal vormen zich plassen. Vlak voor vertrek springt een otter in de watergang bij de steiger. Hij steekt een paar keer zijn kop boven water en als hij duikt, zien we zijn hele lijf en zijn staart. Alweer een zoogdier om af te strepen. De bagage in de tweede boot, die ons zal volgen, is in grote plastic zakken gedaan. Terecht, want het blijft hozen, echt kletteren.
 We zien enkele witte reigertjes af en toe langs de kant en bloeiende bomen ook. Om half elf zijn we bij de zandzuiger en varen we langzaam. Ine ziet een soort roze lepelaar of flamingo. Ik denk het eerste. Geen krokodil, maar wel drie zwart-witte strandlopertjes. We komen aan in de normale wereld om 10.45 uur, waar MAX met ons vertrouwde busje staat. Anderhalf uur dus in een speedboot over water en rivier met een snelheid van ongeveer 40 km/uur. Om 11.00 uur vertrekken we voor de hobbelweg door de bananenplantages. Max moet een noodstop maken vlak voor de fotostop bij Chiquita, omdat ik erg moet plassen. Verder naar het zuiden dus en om 12.20 uur  komen we op de gladde weg. . Goddank geen gehotseknots meer en stenen, opspringend onder tegen de carrosserie. We lunchen bij Ellis in Siquirres om 12.45 uur met heerlijke sandwiches en een fruitpunch die Ine laat staan, omdat ze hem niet besteld had. Het is vandaar nog één uur naar Limon, dat op een vooruitstekende kaap ligt, een soort landpaddenstoel die in zee steekt en de grootste haven aan de Caraïbische kant heeft van het hele land.
 Er meren vaak hele grote cruiseboten aan van de Holland-America-lijn en inderdaad zien wij bij het binnenrijden van dit typisch Caraïbische schamele stadje vol bijna-krotwoningen de cruiseboot “Zuiderzee” aan de rede liggen. Van een echte grote haven is geen sprake, hoewel er plannen tot uitbreiding zijn. Rond 4 uur arriveren wij op onze bestemming in Cahuita, Atlantida Lodge, een soort oerwouddorp , verscholen in de weelderige vegetatie vol roodoogkikkertjes, de groenzwarte kikkertjes met gif, de luiaards. Het regent hier niet, de zon schijnt, maar er zijn hier veel muggen actief! Op de weg hiernaartoe zagen we heel veel weilanden vol zeboerunderen.
BUNTER

woensdag 22 februari 2012

De waerelt volgens Bunter XXXI



Dodelijke

 verveling in

 de wintersport




Een mooi op te meten sneeuwlaag op een vlakke plastic tuintafel. Niets om bang voor te zijn. foto BUNTER
Ik heb er nooit aan meegedaan, dus moet ik eigenlijk mijn grote bek houden. Maar die wintersport, ik kan er niets aan doen, het heeft me altijd tegengestaan, sterker nog met kotsende walging vervuld. Waarom eigenlijk?
Om te beginnen ben ik een ontzettende koukleum  De vijvers bij De Geusselt aan de noordkant van M. meed ik ’s zomers vanwege al die vieze, grote, griezelige groene libelles die er rondhingen en je met hun grote ogen aanstaarden al helicopterend langs de waterkant. ’s Winters geen van die gore fladderzoemers te zien en dan ging ik met mijn houten doorlopertjes daar het ijs op, samen met honderden anderen. Met een soort lapjesveters van oranje- en bruingestreept linnen moest je de schaatsen onder je halfhoge veterschoenen vastmaken en wel zo strak, dat het voelde alsof ze onder je zolen verlijmd en gespijkerd waren. Er mocht geen millimeter speling inzitten. Dat had weer tot gevolg dat ook de bloedstroom naar je voeten rigoureus werd afgebonden als in een Chinees vrouwenvoetje, voordat Sun Yat Sen vanuit Kanton de laatste Qing-keizer Pu Yi uit Beijing had weggejaagd en ingelijfd in het leger bij het commando tuinonderhoud.
Vergeet het nooit! Foto Internet
Ik herinner mij van mijn allereerste schaatsrondjes als –zeg maar – zes- of zevenjarige, dat ik na een kwartiertje of zo de schaatsveters moest losmaken van de koupijn en dat ik dan met bevroren aanvoelende voeten thuis kwam, mijn Meerke voorzichtig de halfhoge schoentjes losmaakte, mijn kousen afrolde en dan bij de haard in de kamer in het schemerlicht van de vroege winteravond mijn ijskoude voeten tussen haar warme, droge handen nam. Wat was dat lekker!! Het duurde dan nog maar een paar minuten en dan waren ze weer op temperatuur en kreeg ik een paar schoensloffen aan, die vlakbij de kolenhaard hadden staan opwarmen. Ik huilde en huilde van de kou en kwam niet stil, hoe ze me ook knuffelde en streelde, mijn voeten en als ze warm waren, eindelijk, dan huilde ik ook, maar dan van opluchting, dankbaarheid en simpel geluk. Later leerde ik, dat je voeten wel steenkoud werden door die verdoemde strakke schaatsveters, maar dat ze ook snel opwarmden en heerlijk warm in je schoenen gingen zitten, als je maar doorschaatste en flink in beweging bleef en niet langs de kant ging staan bibberen met stilstaande voeten. Zo heb ik als lagerschoolkind toch uren en uren geschaatst in het koude licht van de wintermiddag en in de aanvriezende schemer van de verduisterende avonden. Koukleum dus. Die bewuste vijvers zijn er tot voor kort nog geweest. Ze zijn nu alletwee of –drie gedempt en vervolgens vergraven vanwege de aanleg van de dubbele snelwegtunnel in de A2 voor de Europese automonstertjes.
Koukleum en te voorzichtig, angstig zelf. Om niet geheel onbeslagen ten sneeuw te komen over wintersport heb ik de Nederlandse website www.abc-van-skien.nl ernstig bekeken. Dat is pas promotie van de wintersport. Bij het alpine skiën staat onder meer dat mensen van supersnelle afdalingen van steile, dichtgesneeuwde berghellingen de nodige adrenalinestoten krijgen. Voor mij hoeft dat niet. Ik ben zo’n theeleut die graag uren door de sneeuw, of gewoon door het gras of het grind of voor mijn part de modder wandelt om te denken, in je hoofd te formuleren, te filosoferen, te fantaseren. Al heen en weer en op en neer schommelend op je benen te mijmeren alleen of in goed gezelschap. Zonder dat je verdacht hoeft te zijn op het afscheuren van alle kniebanden door verdraaiing, het gecompliceerd breken van scheenbeen en hielbeen, en het doorknappen van het dijbeen na botsing met een kerstboom nota bene, het kneuzen van voeten en enkels enzovoort enzovoort. Dat hoeft voor mij allemaal niet: ik houd als een koning van mijn onderdanen en de rest van mijn tijdelijke lijf.
Koukleumerie, opgevoede lafheid en een afkeer van complexiteit. Want wat moet je allemaal niet aanschaffen aan technische uitrusting en kleding en schoeisel en helmen en brillen, eer je ook maar een meter kunt maken onder leiding van een geile beer van een skileraar. Sta jij de plotselinge korte draai bij obstakels te oefenen of de noodrem of je bindingen te controleren, staat de skileraar achter je je vriendin of partner te betasten. Te bekijken, vooruit, maar ik zou zo’n vent van ‘Biertjah?’ aan de skibar niet in de buurt willen hebben en dus leer ik het ook nooit. En wat kost dat niet? Een uitgebreide uitrusting en de nodige lessen bij zo’n besneeuwbrilde patser?
Tenslotte de kakkineuzerie, de chique, het oude geld en de verpakte daftigheid in de sneuw (hoor: snööw, dat bedoel ik). Ik zou me er niet thuisvoelen. Het zou nog gaan, als ik alleen maar naar de après-ski mocht en de ski zelf mocht overslaan. Natuurlijk.
Alweer een lawinewarnung, dit keer Stufe 2. Foto Internet. 
Genoeg gezeurd, maar ik ben gestijfd in mijn anti-wintersport-gevoel door alle toestanden rond het lawine-ongeluk van prins Friso bij Lech. Het is voor mij een raadsel hoe deze intelligente huisvader van twee dochtertjes, blauwbloedige financieel specialist en rots in de branding van de koningin zoveel in de waagschaal kon stellen door een onbezonnen besluit om ondanks Lawine-warnung Stufe-4 toch buiten de gebaande pistes in de versgevallen, rulle sneeuw op steile hellingen te gaan afdalen en nog wel zonder enige beveiliging, behalve die pieper. Ik hoop, dat de goede man, wiens toestand volgens de RVD al bijna een week als “onveranderd stabiel, maar in levensgevaar” wordt omschreven toch weer boven water komt en ontwaakt en opknapt om met zijn prinsheerlijke leven door te gaan onder het vaste voornemen nooit meer te skiën of deel te nemen aan die jarenlange vakantie-sessies in Lech van een bange, zich bedreigd en niet gerespecteerd voelende steenrijke familie.
Het moet iets geweldigs zijn, dat wildskiën met nog meer adrenalinestoten dan normaal op de afgejakkerde pistes, maar die niets en niemand ontziende lawines en verborgen obstakels dan. Tja, hoe meer risico, hoe hoger je jezelf in de hemel voelt zweven op latten als alles goed of net goed gaat. Overmoed, dacht ik, wereldvreemdheid, inschattingsfout, stoerheid ook totdat iemand simpel “verveling” tegen me zei. “Want”, zo ging ze verder, “Denk je eens in dat je al 43 jaar elk jaar in de winter op exact dezelfde plek op wintervakantie gaat. Dan ken je daar alle hoeken en gaatjes en ga je je verschrikkelijk vervelen en nieuwe opwinding zoeken.” Dodelijke verveling, dat moet het zijn en het lijkt me ook te passen bij een familie waarin afkeer van verrassingen, nadruk op privacy en extreme controledwang en perfectionisme een belangrijke rol spelen en zich steeds weer uiten.
Dat zou betekenen, dat deze sympatieke prins van den bloede, mocht hij zijn lawine-ongeluk niet overleven, wat God verhoede, dat deze eerzame echtgenoot en huisvader zich op wintersport doodverveeld heeft. Een gruwelijke gedachte…
 BUNTER     

woensdag 25 januari 2012

Bunter in de tropen XII

De Costaricaanse jungle is adembenemend. Foto BUNTER


Schildpadbaby's de
branding in helpen

De toegang tot ons nieuwe lustoord  Samoa Lodge. Foto Bunter


Tortuega op de porch van huisje nummer 5 Samoa Lodge, 20.37 uur, vrijdag 14 november 2008.

Er is hier zoveel concurrerend leven. De eerste helft van elke nacht zoemt en piept het van de cicaden en de kikkertjes. Er zijn gevaarlijke dieren en insecten en giftige spinnen en slangen. En toch is de huidige mens (Homo sapiens sapiens) in het Afrikaanse regenwoud ontstaan. Een vreemde gedachte bij een bezoek aan de tropen.

De maan is vol, de hemel nauwelijks bewolkt. Alle schildpadtoers zijn afgeblazen bij gebrek aan schildpadden en bij gebrek aan uitkomende eieren. Okee: minder vermoeienis in plaats van van 22.00 tot 24.00 uur op het strand te lopen, kunnen we vroeg naar bed voor een vroege ochtend. Vertrek per boot om 06.00 uur!

Samoa Lodge, Tortuego, zaterdag 15 november 2008, 18.00 uur, op de porch voor lodge 5.
Ik begin dit verslag met het laatstgebeurde. Onze ontdekking van 5 tot 10 baby’s van groene zeeschildpadjes op het strand bij Tortuego die dankzij ons allemaal de branding en de zee gehaald hebben. We zagen ze op de terugweg van onze junglewandeling met Andrés, omdat er een aantal toeristen en localo’s op het strand op ongeveer vijf meter van de branding naar de grond stonden te kijken. We schoten allemaal in een draf en waren nog op tijd om de laatste misschien zeven achterblijvers van een nest van 120 baby’s over het natte en droge zand te zien rennen recht naar de zee.
============================================================
In de marge:



Blazen en
 knijpen




Zet hem op kleintje!! Foto BUNTER


Drie of vier van de schildpadbaby’s liggen doodstil en bewegingsloos op het natte zand. Dood? Neen, zegt een oudere man: een hond is op ze afgekomen. Ze zijn geschrokken en gedesoriënteerd. Hij pakt ze op en blaast op hun ogen en hun snuitje en soms knijpt hij op hun schild en hun kleine lijfje als een soort hartmassage. Hij krijgt ze weer aan de gang en ook zij halen onder luid gejuich de branding van de warme zee.

============================================================

Het was alsof het zo had moeten zijn, want bij de ingang van ons nationale park werd ons te verstaan gegeven dat de normale, gebruikelijke wandeling door teveel regenval en teveel modder absoluut niet kon doorgaan. We mochten alleen een stukje parallel aan de zee en aan het strand lopen ongeveer 30 tot 50 meter diep het woud in over een breed pad. En dat bracht mij ertoe Andrés te vragen of we over het strand konden teruglopen. Okee, eerst zagen we alleen maar lege eierkuilen met doppen erin en een hoop sporen op een rijtje en ongeveer honderd meter voor de afslag naar het dorp toch nog BINGO! Ine maakte een filmpje van de laatste twee snelle kruipertjes van 1 minuut 30 sec. Op de achtergrond hoor je mij ‘Árriba, arriba, Henry, Henry’ schreeuwen. Toch weer een piekmoment van deze reis en 3000 colones fooi voor Andrés.

 En daar gaat  weer een van de dappere baby's de wereldzee op Foto BUNTER


De ingang van het bladsnijdernest: gewoon een gaatje in het pad.  Foto BUNTER
In het woud vanaf 15.00 tot 16.15 uur zagen we niet zoveel. We maakten kennis met de achterafkrottenstraatjes van het dorp. We zagen wevervogels van heel dichtbij. In Costa Rica worden ze Montezuma genoemd. De vuurrode Tanager op het grasveld, omzoomd door klapperbomen, leek op een forse kolibrie. We zagen ook een pikzwarte sprinkhaan van minstens 5 tot 7 centimeter langs het pad en twee lange processies van bladsnijdermieren en een nest in en gladde ronde aardhoop met een eigroot gat erin.
Gewoon over het bospas of steil tegen een stammetje op. Bladsnijders zijn altijd on the move. Foto Bunter

 De sprinkhaan heeft rode vleugels, zei Andrés. Hij probeerde hem te pakken, maar dat ging niet. Het beest sprong weg, vloog niet. We mochten termieten eten uit een afgevallen donkerbruin boomnest. Hele kleine, beige beestjes met een chocolade kopje. Ze zouden naar wortels smaken, maar dat proefde ik niet. De amandelboom met hier en daar in zijn kroon vol glanzend groen blad een vuurrood bladrozet en af en toe een geel blad. Ik raapte ergens een vrucht op. We zagen ook in het struikgewas aan de landzijde een Manakin met witte hals (Manacus candei), een vogel waarvan de mannetjes baltsdansen voor de ♀♀ en dan kiest ze. Deze vogel was veraf, maar tenslotte kwam de Crested Guan of Penelope purpurescens hippend op een tak op tien meter rechts voor mijn kijkertje met en felrode keelzak. Volgens A. zou het de Crax rubra zijn of de Great Curassouw, maar die heeft een geel balletje op de neus en geen rode keelzak. Dat is een soort zwarte boskip.

Op bloemen raak ik nooit uitgekeken. Foto BUNTER 
Om 06.00 uur ‘s ochtends zaten we al in de boot naar het reservaat en we voeren tot 08.00 uur via steeds smallere kanalen redelijk diep de secundaire jungle in. De boomkap en het vangen van schildpadden is hier gelukkig op tijd gestopt in de jaren zestig. Deze canaltour was ook met Andrés. Veel te zien. Hier komt alles achter elkaar: grote, witte Habenaria-orchidee op boomstam, Boom met dikke bruine bolvruchten en de bloei van die boom. Je kunt er vermageringsthee van zetten, zegt Andrés. Toekans in de vlucht. Ver weg.
Een apepatertje in het struweel boven ons.  Foto BUNTER

Zouden de dino's echt zijn uitgestorven?  Foto BUNTER
We moeten 5.500 colones p.p. toegang tot het nationaal park betalen. Geen geld bij ons. De goede Ard schiet 6 mensen voor. Spinaapje van heel dichtbij. Ik zie hem bladeren zoeken en eten. Tortuega is 28.000 hectare groot en is in 1870 begonnen, zegt Andrés. Drie ara’s vliegen over aan de overkant. De snelheid moet nu terug tot 5 kilometer per uur. Hoera! Twee heel donkergroene ibissen vliegen op en weg. We zien vier jacana’s, meerkoetjes zeg maar, over de waterhyacinten lopen. Twee kuikens, twee ouderen. Andrés krijgt een tip van een voorbijvarende collega. Op dit punt is het erg druk op het water. Boven, hoog in een boom ligt een miereneter op een dikke  tak. Hij is beige en in het midden donker of zwart. Ik snap nu waarom hij familie is van en luiaard. Het is eigenlijk een mierenetende luiaard. Hij beweegt zijn kop en zijn oren worden zichtbaar. Tenslotte de otter als een grijze streep over het water, net een rechte slang en op een stuk of vijf plekken groepen kapucijnaapjes in de bomen boven het water. We kunnen heel dichtbij komen en zien verschillende diertjes heel duidelijk. Eentje poseert er zelfs.
Een gemakkelijk zoekplaatje: de miereneter ligt in het midden op de dikke tak.  Foto BUNTER
De familie tropisch waterhoen, aangenaam. Foto BUNTER

Nog twee dingen voor vandaag. Aan de andere kant van het pad langs onze portica staat een zwaarbebeladerde boom. Er staat een bordje bij: Syzygium Malacense – Malay Apple, Manzana de Agno, Maleise appel of Waterappel. Onder de boom ligt een tapijt van paarse sprietjes of draadjes. Ik zie al snel dat het meeldraden zijn. Bloemen zijn van buitenaf nergens te zien. Ze blijken diep in het gebladerte met groepjes bij elkaar te bloeien als dikke, roze roosjes. Er kruipen heel grote, zwarte bijen of hommels overheen ter bestuiving. Een vies gezicht per kijkertje.

Het laatste: in de eetzaal – het eten per buffet is goed hier: kip draadjesvlees, groentesalades en brood - en na het avondeten zit er plotseling een grote, groene sprinkhaan op het tafellaken. De kleur is helemaal die van een sabeltje. Ik pest het beest en beetje met een vork en daar vliegt hij op Ine haar rug met snel bewegende vliesdunne vleugeltjes. Ik griezel daar enorm van en ren rillend weg tot verbazing van de tafelgenoten. Daar gaat mijn image als tropenspecialist. Aha!
Een groene sprinkhaan op tafel, alleen griezelig als hij/zij gaat vliegen.  Foto BUNTER

Nog een klein stukje, kleintje. Foto BUNTER
En nu komt het mooiste: de schildpadexpeditie van morgenvroeg 05.00 uur mag niet doorgaan van de parkautoriteiten. Wij zijn de enigen die de schildpadjes gezien hebben. Zuur voor Marcha, onze reisleidster.

Bunter